Eva

Eva naar Robinet Testard

In Boccacio’s boek ‘de Mulieribus Claris’ (over verstandige vrouwen) vult ‘Eva’ het eerste hoofdstuk. “De moeder van ons allen” noemt hij haar. Er valt over Eva een heleboel te vertellen: vanuit religieuze, kunsthistorische en nog allerlei andere invalshoeken. Misschien kom ik daar in latere blogs nog wel op terug. Waar ik het nu over wil hebben is de illustratie die Robinet Testard bij de franse vertaling van deze tekst maakte en die ik naar zijn voorbeeld reconstrueerde.

We zien Eva, ietwat schuchter, naar een duidelijk mokkende Adam kijken. Tijdens het schilderen heb ik daar enorme lol over gehad. Want welk verhaal zat hierachter? Duidelijk niet alleen het bijbelse verhaal, want er zat een ook een seksuele ondertoon in. Al kon ik die niet goed ‘lezen’. Ik bedacht van alles: Adam had ruzie gehad met Eva over die appel, die nu nergens meer te zien was in de afbeelding trouwens. Vast in woede weggeschopt, na die eerste happen en het besef ‘Wáat heb je me laten doen?!’ Maar ook fantaseerde ik over hoe Adam de pest in had dat hij zo’n jong meisje had waar hij nog ‘niks mee kon’ en dat hij daarom zo de P in had. Het handgebaar dat Eva maakte draagt bij aan een seksuele connotatie, want met gemak kun je daar een vagina in zien. Maar misschien is het een handgebaar voor het Ichtus symbool, de vis, die door de eerste Christenen als herkenningsteken werd gebruikt. Je komt het symbool, gestileerd weliswaar, ook nu nog tegen. Eva uitgebreid haar vagina in de aanbieding laten doen, leek me niet kies.

Ik kwam er dus niet zo goed uit wat ik wilde vertellen over deze Eva totdat ik tijdens mijn onderzoek naar de achtergronden van het manuscript een biografie over Louise de Savoy begon te lezen. Het manuscript is gemaakt ter gelegenheid van het huwelijk van deze Louise met ene Charles d’Angouleme.  Eva lijkt op Louise en Adam lijkt op, juist! Charles. Zover was ik overigens al toen ik aan het schilderen was. De biografie werpt een licht op het verhaal achter de afbeelding van Robinet dat me raakt en ineens weet ik wat ik jullie wil laten weten over Eva.

Louise was nog een baby toen ze zich verloofde met Charles d’Angoulème. Deze verloving was een douceurtje van Louis XI (de koning van Frankrijk, bijgenaamd de Spin) aan de vader van Louise, Philippe de Bresse, die allerlei handige klusjes voor Louis opknapte als dat zo uitkwam. Louis XI bevoordeelde door deze huwelijksbelofte in één klap Philippe en sneed een rivaal, Anna van Bourgondië, de pas af. Charles was namelijk de achterkleinzoon van Karel V, een eerdere Franse koning en kon , als de sterren goed stonden, aanspraak maken op de Franse troon. Ons Lowieke de XI hield deze Charles dus liever op meer dan gepaste afstand van het Franse koninklijk hof.

Philippe, bijgenaamd ‘Meneer zonder land’, was van goede komaf, maar had verder nauwelijks wat in de melk te brokkelen, dus die wilde wel. Charles wilde eigenlijk niet, hij had al een maitresse en een kind, maar durfde niet tegen de Franse koning in te gaan, en Louise kon nog niet praten, dus zo zat Charles d’Angoulème op zijn 18e  opgescheept met een zuigeling als aanstaande bruid. Er kan een hoop gebeuren voor het kind volwassen is, zal hij gedacht hebben, dus zo’n vaart liep het allemaal nog niet. En een bruiloft of verloving had toen voor welgestelden een heel andere betekenis en functie dan voor ons hedendaagse mensen. Het huwelijk was voornamelijk een contract om andere, politieke, belangen te dienen en de huwelijkspartners waren de pionnetjes op de landkaart. Het ging niet om de liefde, maar om het aan elkaar smeden van gebieden, het sluiten van allianties en het uit onderhandelen van goede huwelijkse voorwaarden, die macht verschaften of veilig stelden.  Als er uiteindelijk toch sprake bleek van liefde was dat mazzel, maar geen doel op zich. De huwelijksonderhandelingen werden doorgaans gevoerd door anderen, vaders of heersers, en de pionnetjes die met elkaar moesten trouwen hadden daar zelf vrij weinig over te vertellen. Tenzij je zelf een van die machtigen was. Dan kon je wel een duit in het onderhandelingszakje doen. En wanneer de wind van de macht uit een andere hoek begon te waaien kon zo’n huwelijksbelofte ook zo weer verdwijnen.  Dus Charles maakte zich voorlopig nog niet druk. De verloving sudderde op de achtergrond op een laag pitje door en Louise groeide op. Eerst in Pont de l’Ain, de woonplaats van haar ouders en na het overlijden van haar moeder aan het hof van Anne de France (deze was tante van Louise en de regentes voor haar broer Karel de VIII) in Blois.

Toen Louise een jaar of 11 was ontstond er een nieuw politiek machtsspelletje dat invloed op haar leven zou hebben. De zwager van Anne de France was het niet eens met het feit dat zijn schoonzus feitelijk het land regeerde en probeerde haar op allerlei manieren dwars te zitten, daarbij geholpen door, daar hebben we hem weer: Charles d’Angoulème. Die moest een duidelijk lesje leren dus het werd tijd om de verloving om te zetten in een huwelijk. Wat heeft dat met Eva te maken, zul je denken. Nou daar kom ik nu op: Louise en Charles traden in het huwelijk toen Louise 12 jaar oud was en Charles dus 29. Haar hele opvoeding aan het hof heeft in het teken gestaan van het groeiende besef, dat vrouwen dienen om erfgenamen te produceren. Dus ook Louise was zich daar, jong als ze was, intens bewust van. Zelfs zo bewust dat haar vader lacherig schreef aan zijn 2e vrouw ‘dat Louise hem alsmaar vroeg naar de huwelijksnacht en hoe dat dan ging en of ze niet te nauw was van onderen, zodat ze misschien dood zou gaan en hoe groot ‘het ding’ van Charles zou zijn, misschien wel zo groot als haar onderarm?’ Persoonlijk vind ik dit nogal getuigen van weinig sympathie en fijngevoeligheid naar zijn dochter. Maar misschien is dat wel teveel hedendaags gedacht.   Charles probeerde ondertussen onder zijn aanstaande huwelijk uit te komen, maar hoe hij ook smeekte, konkelde en draaide, Anne de France was onverbiddelijk: getrouwd werd er.

Als ik met deze kennis in mijn achterhoofd opnieuw kijk naar Eva word ik er niet meer zo lacherig van. Ik zie  een jong meisje, nog niet volgroeid, zich bewust van haar afhankelijkheid van een oudere man en ook bereid om daar het allerbeste van te maken. Deze man kan, door met haar te paren, hun afgedwongen huwelijk consumeren en kinderen verwekken en daarmee haar toekomst veilig stellen. Of niet. En deze Adam heeft zo te zien geen enkele zin om aan die huwelijkse verplichting te voldoen. Het handgebaar van Eva kan heel goed de betekenis dragen van het aanbieden van haar maagdelijkheid. Zij wil wel. Maar hij niet! Nu vinden wij van alles van kindhuwelijken en tienerzwangerschappen. Het is omgeven met walging, afkeuring en schaamte. Je zou kunnen zeggen dat we door ervaring wijzer geworden zijn. Tenminste in grote delen van de wereld. Toen was het je heilige plicht als jong meisje van stand om ervoor te zorgen dat er nageslacht kwam. Liefst een mannelijke erfgenaam. Het kon je toekomst maken en breken.  En de huwelijkspionnetjes van toen wisten dat. Ook Louise wist dat en de hele entourage in Cognac, de plaats waar het jonge paar zich had gevestigd. Er werd door niemand moeilijk over gedaan.  Er was nog lang geen #Metoo. Robinet zal het dus ook geweten hebben. Hij begon aan de illustraties voor het boek in 1488, het jaar waarin Louise en Charles trouwden. Door Adam en Eva te schilderen zoals hij het heeft gedaan heeft hij in één enkele illustratie het hele voorgaande verhaal in beeld gebracht. Gekoppeld aan Boccaccio’s tekst over Eva. De moeder van ons allen. Heilige plicht.

Louise kreeg haar eerste kind op 16 jarige leeftijd, haar tweede op 18 jarige leeftijd en toen ze 19 jaar oud was, was ze weduwe. Over Louise de Savoy valt nog veel meer te vertellen en daar kom ik zeker nog op terug. Want hoe teer ze ook lijkt als deze Eva, bij elke nieuwe ontdekking die ik over haar doe heeft ze me weer op het verkeerde been gezet en mijn 20e eeuwse vooringenomenheid over middeleeuwse vrouwen blootgelegd. En telkens weer denk ik: What a woman!

Eva is Voorbeeldige Vrouw 3/106

 

Geplaatst in Uncategorized, Voorbeeldige Vrouwen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Pen to Press

 

Soms moet je lang wachten op een begeerd voorwerp. Dat gebeurde mij toen ik begin april via Abebooks.com een boek bestelde in Amerika. Ik was het op het spoor gekomen in een voetnoot bij een artikel over Middeleeuwse copieertechnieken en ik was onmiddellijk nieuwsgierig. Het was wel duur. De bijkomende verzendkosten waren hoger dan wat het boek kostte, maar ja, Sandra Hindman was een autoriteit op het gebied van manuscript onderzoek en dit boek zou helemaal gaan over de overgang van handgeschreven naar gedrukte boeken. Het boek was uit 1977, bijna antiquarisch, en vrijwel niet meer te krijgen. Na wat gedimdam met mezelf en mijn Lief (‘ je wil het, je weet het’) toch het boek besteld. Het zou uiterlijk 23 april bij mij op de mat liggen.  De datum kwam. En ging. Niks. Een week later. Nog niks. Elke dag liep ik vol verwachting naar de brievenbus, vandaag zou dan toch… nee. Weer niks. Uiteindelijk bleek uit een emailwisseling met de verkoper dat het boek was blijven steken in een pakhuis in New Jersey. Het kon door de maatregelen rondom het COVID virus niet verder reizen. De verkoper baalde er ook van, want hij kreeg alsmaar klachten uit West Europa. Ik zag een boekenpakhuis voor me met boeken aan de ketting. Uitreis verbod, stond er op de labels. Nog maar even geduld oefenen dan. Dit kon nog wel even duren. En toch, iedere keer als ik mijn voormalig collega met haar oranje fietstassen zag naderen maakte mijn hart een sprongetje! Vandaag dan? Nee. Weer niet. Tot afgelopen maandagochtend de bel ging. Ik maakte nietsvermoedende de deur open voor een man in een geel-rood poloshirt. Niks ex-collega. De DHL! Aan mijn voeten lag een pakje uit het buitenland met mijn naam erop. Eindelijk!

Vol verwachting liep ik met het pakketje naar binnen. Er zat grijs plastic omheen en toen dat eraf was, zag ik een kartonnen envelop met nog een keer mijn naam erop.  Ik verbeeldde me dat het pakje een beetje muf rook. Vast diens lange verblijf in dat boekenpakhuis. Met gretige vingers scheurde ik het karton stuk. Bubbeltjesplastic. Het was in ieder geval Corona vrij ingepakt. Door het plastic heen ontwaarde ik een wit-met-vegen-kleur. Hmm. Ik had voor die prijs toch minstens een gebonden boek met een mooie omslag verwacht. Teleurgesteld haalde ik het plastic van het boek af. Voor mij op tafel lag het dan. Het zo fel begeerde boek. Een smoezelig geval, met vingerafdrukken en vegen op haar kaft. Je kon zien dat het door ontelbare handen was gegaan.

Niet eens een titel op de voorkant. Oh jawel toch: in blinddruk zag ik ‘Pen to Press’ op de kaft staan. Het boek bleek een bundel essays behorend bij een tentoonstelling met dezelfde titel. Hmm. Ik dacht dat het een proefschrift was. Achterin staan allerlei plaatjes. De catalogus. In zwart-wit. Het was tenslotte een boek uit 1977….. En ineens snapte ik het: het boek had de vorm van een blokboek. Voor boekbinders een bekend fenomeen. Het was alleen de inhoud van een boek. Zonder de omslag. Vroeger, in de begintijden van de boekdrukkunst, kocht je boeken zo. Alleen de inhoud, de omslag moest er nog omheen. Daarvoor ging de klant dan naar een boekbinder. Die zorgde dat het boek werd ingebonden. Geheel naar de smaak van de klant en naar wat die kon betalen natuurlijk. Houten platten met bewerkt leer of een andere uitvoering met fluweel of een rijk versierde stof. Gepersonaliseerd noemen we dat tegenwoordig. Het papier was cremekleurig en van een zware kwaliteit. Even kreeg ik de neiging om met stoffen handschoentjes door het boek te bladeren. Om de smetteloze inhoud zuiver te houden. En wacht: was dat nu een watermerk? Curtis Rag zag ik in het papier. Wat is Curtis Rag? Bij nazoeken bleek dat een papiermolen, waar kwaliteitspapier werd gemaakt. ( oa voor officiële documenten) Het lettertype was rond en deed me ietwat denken aan een middeleeuws script uit oude handgeschreven boeken. Alleen veel kleiner en gedrukt natuurlijk.  De hele vormgeving was een eerbetoon aan het fenomeen ‘boek’. En bij het doorbladeren  kwam ik al een eerste pareltje tegen, wisten jullie bijvoorbeeld dat…? Maar daarover in een andere blog meer. Zo zie je maar weer: ‘never judge a book by its cover!’  Nu lezen!

 

Deze blog hoort bij het project Voorbeeldige Vrouwen waar ik momenteel aan werk

Geplaatst in Thuis, Voorbeeldige Vrouwen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Arachne en mijn oma

Terwijl ik kleine, tere lijntjes in het gezicht van Arachne aanbreng en mijn verfpenseel zorgvuldig in de verf doop, voel ik opeens mijn oma naast me staan. Ik merk haar op en zie haar gezicht voor mijn geestesoog. Dag oma! zeg ik in gedachten tegen haar. Waar kom jij nou zo opeens vandaan? Ze zegt niets en kijkt naar wat ik aan het doen ben. Ineens snap ik waarom ik juist nu aan Arachne, de vlijtige kunstenares met naald en draad werk. Ook mijn oma was bovenmatig goed in textiele werkvormen: breien, haken, borduren: you name it, mijn oma kon het. Toen we klein waren, mijn zusje en ik, eindigde menig bezoekje aan mijn oma met een nieuwgemaakte jurk, vest of trui. Mijn oma had een timmermansoog voor kleding. Ze mat zelden en met vaardige vingers maakte ze haar kunststukjes. En niet alleen voor ons, maar ook voor mijn nichtjes en neefjes, haar andere kleinkinderen. In mijn vage jeugdherinneringen figureert een door mijn oma gemaakte lievelingsjurk met een poes erop. Dat had ze goed gezien, dat ik zou opgroeien als kattenliefhebster. Of misschien kwam het wel door dit jurkje.

Ook Arachne was een kunstenares met draad en textiel. Het verhaal gaat dat zij zo prachtig kon weven dat men dacht dat ze was opgeleid door de Godin Pallas Athene (voor de romeinen: Minerva) Arachne vond  dat klinkklare onzin. Ze was tenslotte vanaf haar vroege jeugd omringd door kleur en textiel. Haar vader, Igmond uit Colophon, was purperverver. Hij verfde wol in prachtige paarse tinten. Dat wat ze kon had ze zichzelf geleerd. Daar kon niemand behalve zij de credits voor opeisen.

Toen Pallas dit ter ore kwam ging ze vermomd als een oude vrouw naar Arachne om diens weefkunsten eens van dichtbij te bekijken. De weefsels waren inderdaad van een bovenaardse kleurrijkdom en schoonheid. De oude vrouw maakte Arachne uitgebreid complimenten over haar vaardigheid en het duurde dan ook niet lang voordat Arachne begon te pochen. De oude vrouw waarschuwde haar dat ze niet zo moest opscheppen en dat meer nederigheid haar zou sieren. Ze zou de godin Pallas Athene wel eens behoorlijk kunnen gaan irriteren met haar opschepperij. Arachne trok zich hier niets van aan en deed er nog een schepje bovenop. Ik durf te wedden, zei ze, dat als Pallas en ik een weefwedstrijd deden, dat ik zou winnen.  Dat ergerde Pallas zo, dat ze onmiddellijk haar eigen gedaante aannam en Arachne aan haar uitdaging hield. En zo geschiedde. Pallas en Arachne deden allebei hun stinkende best op een werkstuk voor de wedstrijd. Pallas verwerkte in haar weefsel taferelen waar stervelingen in hun hoogmoed moesten buigen voor de Goden en lesjes nederigheid leerden. Arachne  op haar beurt weefde met veel plezier alle verhalen die ze kenden over Goden die naast de pot piesten. En dat alles in de meest prachtige kleuren.

Toen brak de dag van de jurering aan. Daarover lopen de verhalen uiteen. In de ene versie wint Pallas en moet Arachne haar nederlaag erkennen. In de ander is het precies omgekeerd en wordt Pallas onzettend kwaad. Hoe het ook zij: in beide versies verhangt Arachne zich.  En terwijl ze daar zo hangt, bungelend aan haar touw, verandert Pallas Arachne uit medelijden (of uit wraak, ook daarin lopen de versies uiteen) in een spin en verdoemt Arachne en diens nageslacht tot het eeuwig spinnen en weven. Spinnen heten met hun wetenschappelijk naam dan ook nog steeds Arachnides.

Mijn oma heb ik nooit kunnen betrappen op hoogmoed. Ze was de dienstbaarheid zelve. Ze overleed toen ik een jaar of 14 was en ik heb haar nooit met mijn  volwassen vrouwenogen gezien. Trots zal ze denk ik wel zijn geweest op haar vaardigheden. Ze voorzag daarmee in haar eigen onderhoud en dat van haar kinderen, toen ze al vrij jong weduwe werd. 13 mei, vandaag, is haar geboortedag. Wilde ik daarom zo graag aan Arachne werken? Ik reik met mijn voelsprieten uit naar mijn oma. Ze glimlacht.

Arachne is Voorbeeldige Vrouw 8/106 

Geplaatst in Voorbeeldige Vrouwen | Tags: , , , | 2 reacties

Groeten uit de Torens van Babbel 1

‘Neem je nog even desinfecterende handzeep mee voor in de auto?’ Vroeg mijn Lief toen ik laatst boodschappen ging doen. Dat dat gemakkelijker gezegd dan gedaan was, bleek, toen ik voor het rek in het Kruitvat stond. Geen desinfectans meer te vinden en ook de meeste zeep was uitverkocht. Ik scande wat er nog wel lag: nog wat doosjes geparfumeerde zeep, Savon de … genaamd, als eerbetoon aan het prijskaartje dat eraan hing. Daarom waren ze er waarschijnlijk nog. Ik keek nog wat verder naar beneden en toen opeens zag ik ze: kleine, zwart met rode, doosjes. Op de onderste plank in hun eigen vak, netjes in het gelid. Maja zeep uit Spanje!

Ik maakte voor het eerst kennis met deze zeep toen ik als jong meisje bij een tante logeerde. Wij gebruikten thuis nooit zeep met een extra lekker luchtje. Teveel fluf voor teveel geld, zal mijn moeder toen ongetwijfeld hebben besloten. Maar mijn tante, veel jonger dan mijn ouders, was op een rondreis naar Spanje geweest en had misschien daar de zeep gebruikt. Wie zal het zeggen. In elk geval slingerde het welriekende blokje in haar douche cabine rond. Het rook niet naar Lelietjes der dalen of roosjes, maar naar iets anders. Zwaarder, kruidiger, sensueler ook. Ik vond het een heerlijke geur, en eenmaal thuis ging ik op zoek naar het merk. Het gaf me een tot dan toe ongekend gevoel van luxe om me ermee te wassen en het maakte ook dat ik me net een beetje vrouwelijker en aantrekkelijker voelde. 20200325_145424Jarenlang heb ik het zeepje voor mezelf als verwennerij gekocht. Totdat het, zoals dat vaker gaat met dingen van vroeger, uit mijn persoonlijke straatbeeld verdween.

En daar lag het zomaar, de geur nog even lekker. Ik kocht meteen twee stukjes. Eentje voor mezelf en eentje voor mijn dochter. Die gaat in een envelop met een gek kaartje naar haar op de post. Van de mijne heb ik eens schuimtoren gebouwd. Om mezelf in te hullen, zacht en geurend. Mijn eerste Toren van Babbel.

Geplaatst in Jeugd, Mensen, Thuis, Voorbeeldige Vrouwen, Vrouwen van Verstand | Een reactie plaatsen

Een Engel maken

Afgelopen week heb ik meegedaan aan een cursus ikoonschilderen onder begeleiding van Marieta Rotariu in Abdij Koningsoord. Ik had al een tweetal lessen gevolgd, was al begonnen aan een ikoon, maar wilde in deze week iets speciaals maken. Iets dat me zou helpen om een aantal moeilijke gebeurtenissen uit de afgelopen tijd een plaats te kunnen geven. Al had ik geen idee van hoe ik me dat dan zou moeten voorstellen. Ik wist alleen maar dat ik er ‘iets’ mee wilde doen. En dat willen was niet echt een ‘willen’willen maar een weten willen, met je hart. Ik nam mijn voormoeders en voorvaders, de dichtbije en de veraffe,  mijn zoon en dochter in gedachten met me mee het klooster in, liet ze vrij en liet mijn handen het werk doen. Het mengen van het eigeel met de pigmenten, het volgen van de aanwijzingen van de docente, die als een soort Klein Duimpje een spoor van waardevolle broodkruimels om te volgen legde. Het zachte vegen van mijn penselen, waarmee ik de in aanvang donkere kleuren van steeds nieuwe en meer verfijnde lichtlagen  voorzag. Het leidde tot een voor mijn ogen tot leven komen van mijn schilderwerk.

De week werd ook gekleurd door de ontmoetingen met mijn medecursisten, de zusters en andere gasten in het klooster: sommige kort, andere wat uitgebreider. Sommige verkennend, andere herkennend en sommige helend, andere soms wat ongemakkelijk. Door het vroege opstaan, het bijwonen van de gebedsdiensten in de kloosterkerk waar het invallen van het ochtendlicht en het gezang van de zusters me telkens weer ontroerde. Als vanzelf ademde ik na verloop van tijd mee met de ademhaling van het kloosterleven. Al sliep ik niet al te best in een smal éénpersoonsbed zonder de warmte van mijn Lief. De stilte die soms zo moeilijk te verdragen was en die ik zo miste toen ik weer thuis was.

Alles draagt bij aan een ervaring die nog steeds nazingt en waarvan ik niet goed kon vatten wat het me, naast het ikoon, heeft gebracht. Tot vandaag.

Ik zag een filmpje waarin een vrouw vertelt over hoe zij haar man heeft ontmoet en hoe hun leven samen verliep. Ze trouwden. Zij, zwanger en met een heleboel ballast van een onvriendelijk leven waardoor haar vertrouwen in de mensheid al op jonge leeftijd beschadigd was. Hij, verliefd, met een groot hart voor haar en bereid haar zonder oordeel te nemen voor wie en wat ze was. Het was een verhaal dat de kracht van helende woorden illustreerde, want woorden kunnen maken en breken en de titel van het filmpje was: Create an angel 

Kort voor het zien van dit filmpje sprak ik mijn vader en hij vertelde me dat hij zich heeft voorgenomen om elke dag iets aardigs te doen voor iemand. We hadden het over blijven hangen in verwijten, over geplaagd worden door de spoken uit je verleden en de keuze die je hebt hoe daarop te reageren. En hoe die keuze maakt of je blij bent of niet. De passage die me in het verhaal van de vrouw zo raakte lag in het verlengde van dit gesprek en ging over hoe gemakkelijk het is om op zoek te gaan naar de shit in het leven. Aan wat er niet deugt aan het leven en aan de mensen om je heen, aan wat ons is aangedaan en wat we tekort zijn gekomen.  Dat doen wij mensen graag zei ze. En er is meer dan genoeg van. Maar terwijl je daarmee bezig bent, kun je niet op zoek gaan naar de engelen in je leven, die er ook zijn. En sterker nog: je kunt ook niet de engel in jezelf vinden, die waarmee je een engel voor anderen kunt zijn.

In mijn familie komt van beide zijde trauma voor. Daar zal mijn familie geen uitzondering in zijn. Het leven met zijn harde kanten heeft in mijn (voor)ouders diepe sporen getrokken die zich hebben vertaald in gedrag. Gedrag, doorgegeven door de generaties en waar ik als opgroeiend kind en jong mens door ben geraakt, getekend en gevormd. En dat ook mij, op mijn beurt, mede heeft bepaald in gedrag naar mijn kinderen. Er is in mijn leven genoeg shit, van vroeger en ook nu, om in te blijven hangen, om anderen verwijten mee te maken of mee om me heen te slaan. Ik ben geen heilige: dat zal heus ook nog wel eens gebeuren. Maar er is ook in mij een groeiend besef dat ik een keuze heb. En zelfs een plicht tot kiezen. Om niet weg te kijken en te ontkennen wat er was aan veroorzaakt leed en om iedere keer dat het opduikt te blijven staan, te durven kijken en te durven voelen wat er is. Om dan na verloop van tijd, wanneer dat weer kan, vrij van oordeel verder te gaan. Soms duurt dat proces wat langer, soms wat korter, maar altijd komt er weer licht in en dat is het moment van de vraag: hoe ga ik hiermee verder.

Tijdens de ikonenweek schilderde ik de Aartsengel Gabriël. De boodschapper, de beschermer van communicatie. Ik heb hem tot leven gebracht tijdens het schilderproces en hij heeft in mij iets aangeraakt. De kracht van helende woorden.

Geplaatst in Mensen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Moedertje

“Zie je die bobbel op die foto van mij? Die waar ik dat gebreide jurkje op aanhad?”Ik heb mijn moeder aan de telefoon. Sinds ik haar fotoalbum aan het scannen ben komen er allemaal verhalen los over ‘vroeger’. Ik loop in gedachten de foto na: een mooie witte strik in haar donkere haren, de lange pijpekrullen, het ontdeugende snoetje wat me elke keer zo raakt als ik kinderfoto’s van mijn moeder zie, de open iets ‘van onder’oogopslag. Het kruisje om haar nek, maar de bobbel? Die had ik niet gezien.

Toen ik de foto er opnieuw bijpakte zag ik het wel. “Weet je wat dat is?”vroeg mijn moeder. Ik keek nog eens goed. Een klein, ietwat driehoekig bultje leek aan iets om haar nek onder haar kleren te zitten. Ik hoorde de lach in haar stem. ‘Geen idee’zei ik.

“Het is een fluitje! Dat had ik altijd bij me. En als ik boos was, blies ik erop. Heel hard!”

Ik kijk nogmaals naar de foto, zie de ontdeugende snoet en hoor in gedachten het snerpende geluid van een boos aangeblazen fluitje. Stoom afblazen!

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties

Innerlijk teamoverleg

Ik zit op de bank te bladeren in een Flow en een boek met tekenvoorbeelden. De inspiratie slaat onmiddellijk toe. Voor Snoezepoes ben ik aan het researchen en daar mag ik de tijd voor nemen. Ik wil mezelf beter leren tekenen gedurende dat onderzoeksproces en dat verdraagt zich niet met dat de eerste tekening meteen raak moet zijn. Maar op mijn lessenaar boven ligt al iets anders te wachten.  Iets wat ik eigenlijk had gepland voor vandaag.  Dus al die inspiratie voor kamerplanten, potkacheltjes en Snoezepoezen die nu door mijn lijf stroomt moet maar even wachten. Of niet? Wat is er eigenlijk mis mee om gewoon te beginnen met waar ik nu het allermeeste zin in heb? Ik wilde toch een aantal projecten naast elkaar doen? Juist om niet vast te blijven zitten in één ding? Om die inspiratiestroom te kunnen blijven voeden?

In mijn binnenste fluistert een piepklein stemmetje: ‘Jij maakt nooit wat af!’  Oh, dáár gaat het over. Dat kleine stemmetje dat iedere keer opduikt als ik aan iets anders wil gaan beginnen dan ik me had voorgenomen. Eerst het ene afmaken en dan pas aan het andere. Zo heb ik het geleerd.  Als ik om me heen kijk in mijn werkkamer en elders in het huis liggen er inderdaad overal half affe projecten. Papiermache Volkjes die nog geschilderd moeten worden ( ik vind het zo heerlijk om dat met lekker weer buiten aan de tuintafel doen) Schetsboeken met droedels en ideeën voor ooit. stukjes van verhalen en blogjes. Boeken, heel veel boeken. Haakwerken waar de draadjes nog van ingestopt moeten worden ( OK dat is een rotklus die ik uitstel) Schilderijen die staan te drogen en wachten op een volgende laag, omdat olieverf is nu eenmaal een slow paint is…

‘Zie je wel’piept het stemmetje weer.’Allemaal nog niet af’ Ik kijk nog eens goed. Niets van wat ik om me heen zie kijkt beschuldigend terug. ‘Het eet geen brood’ zegt mijn Lief regelmatig als we het over onze ‘onderweg projecten’ hebben. En voor bezoek is er altijd van alles te zien.  Hij gaat hier een stuk rielekster mee om dan ik. Er word aan alles nog steeds gewerkt, al is het soms met grote tussenpozen. En ja soms komt iets niet af. Dat klopt. Dan ben ik echt verder gegaan. Met iets anders. Iets waar ik het voorheen geleerde in toepas, maar dan beter. ‘Afmaken om het afmaken is net zo stom als iets niet afmaken terwijl het wel naar je blijft roepen.’ Het stemmetje zwijgt. ‘Nou?’dring ik aan. ‘Uhmmmmm…. Ik weet het niet’ hoor ik zacht. ‘Ik heb er nog nooit verder over nagedacht’ Nu word het interessant. ‘Waarom moet je iets afmaken als je er voor je plezier aan begonnen bent? En als je nu met grote tegenzin verder moet? Of als je aan iets bent begonnen om ervan te leren en je hebt de les geleerd? Nu we het er toch over hebben: wat is er mis met meerdere projecten naast elkaar doen?’

‘Kweenie’ hoor ik. ‘Wat moet ik dan verder gaan doen? Wat voor nut heb ik dan nog?’

Zou het daarom gaan? Iets blijven roepen omdat je dat altijd  al deed en je vergeten bent waarom het ooit was? ‘Als je me nou eens op een andere manier gaat helpen?’zeg ik. ‘Hoe dan?’ Nou eh…..Ik merk dat ik het eigenlijk ook niet weet. Want als hulp heb ik dat nare piepstemmetje dat bij elk nieuw plan roept ‘jij maakt nooit iets af’ nooit ervaren. Dat riep ze al vanaf dat ik heel klein was.

En opeens zie ik mezelf. Met een klein rommelig naaiwerkje in mijn handen. Ik kijk op naar mijn moeder. Ze is druk. Haar haren hangen hangen in piekjes om haar hoofd, haar ogen kijken alweer naar iets anders en ze doet doenerig. Ik kijk naar mijn naaiwerkje. Hanepoterige steken verbinden twee lapjes aan elkaar. So far so good. Maar nu weet ik echt zelf niet meer hoe ik verder moet. Want Pop kan het bloesje zo niet aan. Hoe moet haar hoofd er doorheen? Ik kijk opnieuw op naar mijn moeder, die alweer met iets anders bezig is. ‘Ik help jou niet, want jij maakt toch nooit iets af’ zegt ze. Ongetwijfeld nooit vervelend bedoeld. Maar in de loop van de tijd is het zinnetje naar binnen geslagen en daar een naar snerpend geluid geworden. Het stukje ‘ik help jou niet’ is eraf gevallen. Het stemmetje in mijn binnenste zwijgt. Ik ook. Ik ga potplanten tekenen.

En toch eindigt het verhaal hier niet. Het stemmetje-van-binnen heeft wel degelijk een functie, merk ik verderop in de week. Nadat ik achtereenvolgens potplanten, Urban Sketching, Art Nouveau kunst, Ornamenten, Middeleeuwse sierranden, werken met bister, het zelf maken van bijenwaspapier, linobuttons en nog wat dingen die ik allang weer vergeten ben met evenveel verve de revue heb zien passeren. Ik ben een nieuwsgierig, enthousiast mens en raak snel in de ban van iets. Duik erin, heb wilde plannen en begin met de uitvoering, ontdek iets nieuws, duik erin  en dan begint het wieltje weer te draaien. Daar is vast een naam voor in de DSM V. Deze eigenschap van mezelf werd vroeger in toom gehouden door mijn vele taken, mijn plichtsgevoel en loyaliteit en (ik durf het bijna niet te zeggen) wie weet misschien ook wel door dat stemmetje. Inmiddels ben ik baas over mezelf  en mag ik alles wat ik maar wil. Alle ruimte dus om mijn nieuwsgierigheid de ruimte te geven en los te gaan. Of toch niet? Tijd voor innerlijk Teamoverleg!

Geplaatst in Mensen, Thuis, Vrouwen en psychiatrie | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Passen en meten

Ik kijk in het deksel van mijn passerdoos. Mijn Lief heeft me zojuist geattendeerd op de piepkleine lettertjes die op het etiket geschreven staan. Het is een mooi, regelmatig en duidelijk handschrift. De hand van iemand die gewend is om secuur te werken. Heel anders dan het mijne, dat schots en scheef is en soms zelfs ook voor mijzelf bijna onleesbaar, omdat ik altijd sneller denk dan ik kan schrijven. Ik zie een naam en een adres. Er wordt een kleine jachthond in mij wakker! Wie was die vorige eigenaar/gebruiker van mijn passerset? Welke handen hebben de trekpen vast gehouden waar ik deze middag pas voor het eerst echt mee heb gewerkt? En wat suf dat ik nog nooit, tot vandaag, had gezien dat er een naam in mijn kostbare geschenk stond!

Een paar jaar geleden kwam mijn vader op bezoek, op doorreis naar huis na een korte vakantie. In de afgelopen jaren heeft hij zich ontpopt als een fervente ‘Kringloopwinkelsnuffelaar’. Van alles tikt hij daar op de kop. Zijn eigen voorliefde gaat uit naar bijzondere beeldjes. Meestal van hout. Hij heeft inmiddels al een vitrinekast vol. Maar nu had hij iets anders gevonden. ‘Voor jou’zei hij, terwijl hij een plat doosje uit de zak van zijn colbertje haalde. ‘Wild Heerbrugg’stond erop. Ik kreeg het doosje niet onmiddellijk open: een ingenieuze, kleine, vergrendeling voorkwam dat het deksel vanzelf open zou vallen. Op een zwart fuwelen ondergrond ontwaarde ik een passer, een buisje voor passerpunten en allerlei hulpstukken waarvan ik geen idee had waar ze voor dienen. Ze lagen allemaal keurig in hun eigen nestje. Een prachtige passerset. Ik heb nog geen idee waar ik die voor ga gebruiken, maar ik ben er blij mee. Een bijzonder kado, gevonden door mijn vader in de Kringloopwinkel in Heiloo..

Af en toe maak ik de doos open en kijk ik ernaar. De passer gebruik ik om rondjes te trekken en verder laat ik de hulpstukken voor wat ze zijn. Een zoektocht naar het merk ‘Wild Heerbrugg’ leert mij dat het een kwalitatief zeer goede passerset is die vooral in de jaren 50-60 van de 20e eeuw veel verkocht werd.  Mijn schoonvader, die zo’n set ooit voor zijn technische opleiding leerde gebruiken vertelt me op een feestje waar alles voor dient. Een bijzonder gesprek, gelardeerd met allerlei jeugdherinneringen. Dierbaar. Mijn passerset komt steeds meer tot leven, maar raakt ook weer wat in de vergetelheid.

Begin dit jaar start ik met een cursus Middeleeuws verluchten. Opeens komt de passerset weer in beeld. Op de lijst benodigheden staat ‘een passer’ maar waar is het ding? Paniek! Waar issie? Na een uitgebreide zoektocht ontdek ik het platte doosje in een bak met kleurpotloden. Al drie keer overheen gekeken omdat het op zijn kant stond! Vanaf nu heeft het een vaste plek op mijn werktafel. Op de cursus demonstreert de docent hoe je lijnen kunt maken met de trekpen, die ook in het doosje zit. Je laat wat inkt in het bekje lopen en met een lineaal, mèt inktregel (dus dáár is dat holletje aan de zijkant van een lineaal voor!) trek je een prachtig strakke dunne lijn. Hij dan. Ik vind het een hoop gepruts. Thuis oefen ik wat met die trekpen, maar het kan me niet bekoren. Ik gebruik liever mijn penseel, dan maar schots en scheef.

Maar naarmate de cursus vordert en ik steeds heviger verliefd raak op  de Middeleeuwse afbeeldingen die ik ontdek en leer maken, beginnen mijn hobbelige lijntjes me toch te storen. En nu ik begonnen ben met een eigen project en de eerste afbeelding bijna af is….

Ik maak het doosje open en haal de pen eruit. Zou ik het durven? Ik heb zo’n dikke 20 uur over deze illustratie gedaan en als ik een lijn om de afbeelding zet en het gáát mis verpruts ik al dat werk in één klap! Maar die hobbellijntjes in die kaders en die boog zijn wel erg storend… Ik vul de pen met verdunde gouacheverf zoals mijn docent heeft voorgedaan. Op een apart papiertje oefen ik even, haal diep adem en leg de lineaal op mijn tekening. Voorzichtig trek ik een lijntje. Het lukt! En wat word het mooi! In gedachten vraag ik mijn opa om hulp. Die was gewend om met dit soort spullen te werken. ‘de pen wat schuiner houden, zo ja. Niet te hard drukken, want dan kras je het papier kapot. Rustig aan! En even letten op de vloeibaarheid van je verf. Niet te dik en niet te dun’ Langzaam, lijn voor lijn, werk ik mijn illustratie verder af. Ik voel me verbonden met mijn opa, die me fluisterzacht instrueert hoe de pen te gebruiken, met mijn schoonvader en door het ontwaren van de naam op het etiket opeens met de vorige eigenaar/gebruiker van de set. Wie zou dat geweest zijn?

Mijn Lief zit al op Internet. Over zijn bril turend op zijn slimme foon, bekijkt hij piepkleine lettertjes. Zelf duik ik achter de laptop. Groter scherm. Vanaf de bank hoor ik: Ik heb een P. Helemigh uit Velsen gevonden. Tekenaar staat erachter. Hij wordt genoemd in een oud adresboek uit de 60-er jaren. Verder komen we vooralsnog niet.

Ik duik in de stamboomarchieven en vind via daar een website waarop de familie Helemigh vermeld staat. Op zoek naar een ‘P’ vind ik twee Pieters. Een oudere, geboren in 1899 en overleden in 1960, en een jongere. Geboren in 1939. Zou dat hem zijn? Op het etiket in mijn passerdoos staat ook een jaartal: 20 oktober 1960. In hetzelfde fijne handschrift. In 1960 is deze Pieter 21 of 22 jaar. De passerset was ook voor toen duur. Mijn schoonvader krijgt nog steeds glimmende ogen als we het erover hebben. Hij had hem destijds graag zelf gekocht maar koos voor een goedkopere optie. Misschien was het een bijzonder kado geweest. Voor een eindexamen van een opleiding of een eerste baan. Misschien was het een aandenken: bij leven gegeven door de gever in afwachting van zijn overlijden. De oudere Pieter overleed immers in 13 november 1960.  Een paar weken na de datum op het etiket. Ik besluit de stamboomonderzoeker een mailtje te sturen. Kan de jonge Pieter mijn P zijn? Al snel krijg ik antwoord. Dat zou heel goed kunnen. Zijn vrouw leeft nog. De mail vermeldt een adres en een telefoonnummer. Ik zou kunnen bellen…. Maar wie weet wat ik overhoop haal als ik zomaar met het belletje in huis val. Een brief dus.

Word vervolgd!

Geplaatst in Kunst, Mensen | Tags: , , , , , , , , | 12 reacties

Dick Bruna

Vandaag is Dick Bruna overleden. Hij is 89 jaar geworden, dus het lag in de lijn der verwachtingen dat de man op enig moment het tijdelijke voor het eeuwige zou gaan verwisselen. Toch overvalt het me en ben ik er verdrietig van. Net als veel ouders heb ik mijn kinderen toen ze klein waren, de boekjes van Nijntje voorgelezen. ‘Nijntje in de dierentuin’ was bij ons favoriet en we kenden het lange tijd helemaal uit ons hoofd. ‘Zeg Nijn zei vader op een dag’, hoorde ik mijn man dan vanuit de keuken roepen en ik vulde dan aan met: ‘ik heb een goed idee!’ Deze beginzinnen horen inmiddels tot onze familietaal. Want ook nadat onze kinderen al lang te groot waren voor de Nijntjeboekjes klonk dit vraag en antwoordspel nog regelmatig ergens in ons huis, als aankondiging van een leuk familieplannetje. scan0013-b

Nijntje hoorde gewoon bij het opgroeien van mijn kinderen. De boekjes slingerden door de kamer en werden voorgelezen voor het slapen gaan of gewoon zomaar omdat we daar zin in hadden. Ik breide ‘Dick Bruna truien’ met naast Nijntje, ook Dick Bruna kippen en Dick Bruna lammetjes. ‘Dick Bruna’ hoorde bij het straatbeeld van ons gezin met kleine kinderen. En we genoten er allemaal van. Groot en klein.

Hoe ongelooflijk knap de ontwerpen van Dick Bruna in elkaar zaten zag ik pas heel veel later, namelijk toen ik een aantal jaren geleden mijn eigen Volkje begon te maken. Toen pas ontdekte ik de Kunstenaar Dick Bruna. Hoe een lijn net anders zetten het verschil kon uitmaken in wat je wilt overbrengen. Waar je, en in mijn geval of je, oogjes plaatst, de stand van het hoofd, kortom: de subtiliteit die in die bedrieglijk eenvoudige tekeningen zit en die een ontwerp maken en breken. Mijn dochter nodigde mij in 2015 uit voor de tentoonstelling ‘Dick Bruna Kunstenaar’ in het Rijksmuseum in Amsterdam en groot was mijn trots toen ik ontdekte dat hij zijn Nijntje op eenzelfde manier ontwierp als ik mijn Volkjes. ( Op heel veel velletjes transparant papier, net zolang tot het ontwerp goed is.) En toen ik in een vitrine de omslag van een van de eerste Nijntjeboekjes zag en ontdekte dat dit een l-i-n-o-s-n-e-d-e was! Man! Mijn dag kon niet meer stuk! Dat het verder een kleine tentoonstelling was vond ik jammer en veelzeggend. Mensen verwarren ‘eenvoud’ vaak met ‘kinderlijk’ in de betekenis van infantiel of naief en daarmee niet voor volwassenen geschikt. Voor mij is kinderlijke eenvoud iets anders. Het is het ontdoen van alle volwassen frutsels en franjes en de dingen laten zien zoals ze zijn. Puur en simpel.

Toen ik voor het eerst met mijn Volkje naar buiten trad en iemand tegen me zei: ‘Weet je, ze doen me een beetje denken aan Dick Bruna, vind je dat vervelend dat ik dat zeg?’ Voelde ik me niet beledigd. Integendeel: ik voelde me zeer vereerd. Want het vraagt om moed om je kinderlijke eenvoud te bewaren en de verbeelding daarvan te  laten zien in een volwassen wereld, die meer opheeft met frutsels en franjes. Dick Bruna kon dat en Dick Bruna deed dat. Dick Bruna was in die zin een moedig man. En hij werd voor mij daarmee een groot voorbeeld. Het bewaren van de eenvoud is een van de belangrijkste spelregels die ik mezelf opleg bij het maken van mijn Volkjes. Dick Bruna heeft grote en kleine mensen met zijn werk vreugde en troost bezorgd. Net zoals ik dat op een heel veel bescheidener schaal hoop te doen met mijn prenten. Dank Dick Bruna voor het bewaren en bewaken van die oh zo belangrijke eenvoud in je woorden en je beelden.

 

 

Geplaatst in Kunst, Mensen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Gesprek met een Orchidee

orchidee

Vandaag had ik een gesprek met de orchidee, die op de vensterbank in onze keuken staat. Ik was knorrig opgestaan. Zonder duidelijke reden voelde ik me ontevreden en kwam slecht op gang. Soms heb ik zoveel plannen dat ik domweg niet kan kiezen waar ik mee aan de slag wil. De uitvoering van sommige van die plannen kost veel tijd en geduld… en tsja, dat is nou niet mijn sterkste kant. Ik wil snel resultaat om dan snel weer naar het volgende te kunnen gaan, maar ik wil me ook ontwikkelen en mijn vaardigheden vergroten en verdiepen en dan past ‘snel’ even niet. En dan doe ik maar helemaal niks. Wat me uiteindelijk slecht bekomt.

Dus daar stond ik, met de waterketel in mijn hand, somber broedend uit het raam te staren met om half 9 al geen zin in de dag die komen ging, toen de orchidee mijn aandacht trok.

‘He pssstttttt…’ hoorde ik. Ik keek om me heen. Mijn oog viel op de uitbundig bloeiende bloemenpracht op mijn vensterbank. Verschillende bloeiende bloemtakken hadden haar topzwaar gemaakt. Ze hing al dagen naar één kant van haar pot en kwam steeds schever te hangen. “Teveel bloemen” zuchtte ze. ‘Maar ja, ik kan het niet helpen, als ze willen, gaan ze groeien. Ik heb geprobeerd ze niet allemaal tegelijk uit hun knoppen te laten, maar ja… en om ze nou niet uit te laten komen…’ Teder liet ze haar groene vingers langs de vele bloemkopjes glijden, ‘ze zijn zo prachtig he??? En ik houd zo van ze! Van allemaal evenveel!’

‘Ja’ zei ik denkend aan mijn eigen vele bloemen waar ik nu net zo chagrijnig van werd.

Orchidee bewoog een beetje: ‘het is alleen een beetje zwaar aan één kant zo.’ ‘Ja’ zei ik terwijl ik wat meewarig naar haar keek. Ze was inderdaad nog schever gezakt en over niet al te lange tijd zou ze met pot en al van de vensterbank kieperen, desnoods een licht handje geholpen door een van onze poezebeesten. Ik zette haar weer recht en zag hoe ze in een tergend tempo onmiddellijk weer steeds verder naar een kant van de pot overhelde. Precies dat waar ik bang voor was. Als ik met al mijn plannen tegelijk aan de slag zou gaan (en ik ken mijn eigen enthousiasme) was dat precies het plaatje dat ik voor ogen had: tergend langzaam, maar onafwendbaar naar de afgrond hellen! No way dat me dat gaat gebeuren! Maarja ze waren allemaal zo leuk! En ik kon ze toch niet, niet uit laten komen?

“Maar zo hoeft het toch niet te gaan?” zei Orchidee. Ik kan het niet helpen dat al mijn bloemen zo ongeveer allemaal tegelijkertijd klaar zijn om uit hun knoppen te barsten, maar jij wel! Jouw bloemen hebben allemaal een eigen ‘tot-bloei-kom-tijd’ en ze gaan echt niet allemaal tegelijk!

Zou ze gelijk hebben? vroeg ik me af, terwijl ik mijn rijpe en onrijpe ideeën eens de revue liet passeren. Wat als ik nou eerst… en dan… en dat duurt  gewoon een aantal jaren… Ik zette Orchidee weer rechtop terwijl ik zocht naar iets om haar gewicht beter te balanceren. En ineens realiseerde ik me: daar gaat het over! Balans! Met al die uitbundigheid in mijn brein is de kans natuurlijk levensgroot dat ik de balans al voordat ik begin kwijt ben. Daarom was ik eigenlijk een beetje stilgevallen. Want beter niks, dan puinhoop! Maar wat als ik nu de tot-bloei-kom-tijd als graadmeter neem? En de uitvoering van mijn plannen daarop afstem?

Inmiddels had ik een wasknijper gevonden die ik als stutje in de orchideeëenpot kon leggen. Orchidee stond meteen weer fier rechtop, al helde, ze als je goed keek, nog licht naar een kant. “Zet je me af en toe even overeind? Dan herinner ik jou aan je totbloeikomtijd” zei ze met een knipoog.

 Deze blog is eerder verschenen in ‘Het Vrije Volkje’

Geplaatst in Mensen, Thuis | Tags: , , | Een reactie plaatsen