Stemmen

‘De kindersterfte was hoog in die tijden’. Een klein zinnetje in een boekje over mijn voorouders: de pottenkramers uit Ransbach. Ik raak er van slag van zonder dat ik een goede verklaring daarvoor heb. Ik ben al een tijdje bezig om dit boekje met wat aanpassingen te laten herdrukken voor mijn familieleden. Telkens als ik eraan wil beginnen overvalt mij een groot verdriet en krijg ik het niet uit mijn handen. Ik hoop dan ook dat mijn familieleden nog even geduld met mij willen hebben. Blijkbaar moet dit verhaal er eerst uit en dan pas kan ik weer verder. Uit de stamreeksen wordt duidelijk dat in vorige generaties vele kinderen geboren, maar ook jong gestorven zijn. Om nog maar te zwijgen van de zwangerschappen die niet voldragen zijn. Die leventjes werden niet geregistreerd en bereikten de annalen niet. Sommige gezinnen hadden 10 kinderen waarvan er maar een klein aantal de volwassenheid bereikten. ‘De kindersterfte was hoog in die tijd’, bijna een bijzin, maar eentje waar veel leed achter schuil gaat. Ik snap zelf niet zo goed waarom ik er zo verdrietig van wordt. Misschien omdat het mijn eigen familie betreft en niet een onbekende gezichtsloze familie uit een geschiedenisboek. Misschien slaat daarom mijn fantasie op hol en gaat mijn emotie met mij aan de haal. Maar misschien ook wel omdat mijn zintuigen de vele stemmen van die kleine kinderen ergens hebben opgepikt. De kleine, bijna onhoorbare, fluisteringen die nog in de lucht hangen en mij bij het lezen van de stamreeks en het boekje door de tijd heen bereiken.

Mijn betovergrootmoeder Geertruida Grefkens.

Zou er om ze gehuild zijn? Zou er om ze gerouwd zijn? Dat kan bijna niet anders. Mijn opa, zelf vader van een groot gezin, maakte altijd een grap die ik als kind niet begreep en ook helemaal niet grappig vond. ‘Ja’ zei hij dan ‘we hebben expres zoveel kinderen, want als er eentje doodgaat hebben we er altijd nog een heleboel over’. Een crue manier om verdriet weg te lachen. Een gebruikelijke vorm van humor in mijn familie, ook al had ik er toen als kind geen taal voor hoe naar ik dat eigenlijk vond. Het boekje volgt de mannelijke lijn, van Reigel naar Reichgelt.  Maar ongetwijfeld zullen ook in de vrouwelijke lijnen een groot aantal kinderen de volwassenheid niet hebben gehaald. Ontelbare kinderstemmetjes vragen om mijn aandacht, om gezien, gehoord en erkend te worden. Ze hebben bestaan, ze zijn er geweest en ze hebben bijgedragen aan mijn voorgeschiedenis. En ik kan niet anders dan hen noemen en eren.

 Er zullen mensen zijn die dit stom soft mutsen geleuter vinden. Dat mag. Ik heb er zelf ook lang zo over gedacht. Levendige fantasie noemde ik het en probeerde over te gaan op de orde van de dag. ‘Je bent te gevoelig’ het zinnetje waar mijn jeugd mee doorspekt is. Hoe ouder ik word hoe meer ik besef dat deze gevoeligheid voor mij een dagelijkse, veelvormige realiteit is. Eentje waar ik mijn weg in probeer te vinden. Mijn zintuigen zijn inderdaad veel gevoeliger afgesteld. Ik merk het als ik medicijnen moet gebruiken: de voorgeschreven doseringen zijn heel snel veel te hoog en van sommige medicijnsoorten moet ik gewoon afblijven. Ik merk het bij het drinken van alcohol: het lezen van een etiket is vaak al voldoende om mij beneveld te maken, en ik merk het bij zintuiglijke waarnemingen.  Ik hoor, zie en voel niet alleen met mijn oren, ogen en handen maar met mijn hele systeem. Dat maakt dat ik misschien ook wel dingen waarneem die voor andere mensen niet zichtbaar, hoorbaar of voelbaar zijn. Veel daarvan begrijp ik zelf niet eens en kan ik ook niet verklaren. Ik ben mezelf de laatste tijd dan ook gaan omschrijven als een soort menselijke stemvork, resonerend op wat er dan ook gaande is in mijn omgeving. En soms is dat behoorlijk verwarrend. Zeker als het gaat om die zachte fluisterstemmetjes uit het verleden.

Ik heb er jarenlang mijn werk van gemaakt om stem te geven aan mensen die dat zelf niet konden. Levende mensen dan welteverstaan. Ik was er ook goed in: het verwoorden van wat gezegd moest en wilde worden. En blijkbaar gaat dat nog laagjes dieper dan ikzelf door had. Eigenlijk wist ik dat ook wel, alleen was mijn mechanisme om deze vorm van waarneming af te doen als onzin, fantasie en overgevoeligheid, zo diep in mij ingesleten, dat ik het niet serieus nam. Inmiddels ben ik op een punt in mijn leven aan geland dat ik niet anders kan dan ook deze eigenschap van mij aan het licht te brengen en serieus te nemen. Ik worstel daarmee omdat ik niet weet waar het me heen brengt. Ik worstel ermee omdat deze gevoeligheid serieus nemen betekent: erkennen dat ik niet met de grote massa meer mee kan en dat mijn leefritme om een andere aanpak vraagt. Dat ik helemaal zelf mijn eigen pad moet maken. En dat is best wel spannend. Sensorische overprikkeling is voor mij een gegeven waar ik mijn leven lang al mee te maken heb. Maar pas de laatste jaren ben ik me bewust geworden hoe diep dit altijd ging en welk een realiteit dit is. En bovenal: welk prijskaartje eraan hangt als ik dit negeer. Herstel van deze overprikkeling  gaat verder dan even uitrusten en dan ben ik er weer. Het gaat ook over inschatten en doseren: hoe, waaraan en hoeveel kan nu wel of juist niet. en daar dan naar luisteren. Ook als dat ongemakkelijk is. Voor mij of voor anderen. En daar ben ik lerende in. Ik heb dus blijkbaar ook een gevoeligheid voor menselijk leed die stem wil krijgen. Maar het zou ook fijn zijn als ik kon leren om af te stemmen op het kanaal waar het ‘geluid’ vandaan komt. Want nu is het nogal eens een grote ruisende, kolkende brei alsof ik continu in een hagelstorm loop.

Gisteren zag ik een item in het journaal over een wetenschapper die bezig was met een project om geluid zichtbaar te maken en de toepassingen daarvan. En ineens had ik een model waarmee ik begon te begrijpen hoe mijn waarneming wel eens zou kunnen werken. Cymatica heet het en het gaat o.a. over het visueel maken van geluid. Nu nog leren hoe de knoppen werken. Maar eerst het boekje De pottenkramers van Ransbach. Nadat ik een kaarsje heb aangestoken voor al mijn verwanten. De grote en de kleintjes.

Geplaatst in Mensen, Thuis, Uncategorized | Tags: , , | 4 reacties

Wilde diertjes

Het is koud en vochtig, geen fijn weer voor mijn lichaam. Ik zit dan ook met enige regelmaat op de bank, in mijn vaste hoekje. Mijn wooneilandje met stapels boeken, tekenspulletjes en de afstandsbediening van de televisie en cd speler onder handbereik. Mijn dagen kabbelen voort en ik ben vaak beperkt in datgene wat ik het allerliefste doe: het maken van verhalen. Ik kan niet langer dan een half uur achter elkaar aan mijn bureau zitten werken. En op dagen zoals deze is dat nog korter. Niet dat ik bij de pakken neer ga zitten. Ik ben ‘kampioen flexibel’ geworden. Wat nu niet kan, kan misschien over een half uurtje of over een uur weer wel en anders is er morgen weer een dag. Er is de afgelopen jaren behoorlijk aan mijn dagstructuur gerommeld. Uren achter elkaar met een project bezig zijn is er niet meer bij en ik heb er een tijdje over gedaan om daarmee in het reine te komen. De ommekeer kwam toen ik mezelf per 1 september met de VUT verklaard heb. Toen was de druk van het moeten eraf. Ik heb mezelf geleerd mijn dagen als een mozaïek aan elkaar te leggen. Mijn dagelijkse bewegingsoefeningen, rusten, mijn Facebook bekijken, een (klein) huishoudelijk klusje, even rommelen op mijn atelier, iemand bellen, een brief schrijven (of dicteren: lang leve Word spraak!), lezen, een dagelijkse wandeling, een documentaire kijken: korte activiteiten die ik, naar gelang mijn lichaam aangeeft, in elkaar pas. Dat doe ik al een tijdje. En dat bevalt op zich goed. Zo krijg ik op een dag toch nog een heleboel voor mekaar en hoef ik mijzelf niet zielig te vinden. Want daar heb ik een hekel aan. Al zijn er goede en minder goede dagen en heb ik soms echt wel medelijden met mij.

Maar laatst deed ik toch een nieuwe ontdekking! In mijn lichaam huist een klein wezentje! Ik ken haar nog niet maar heb haar ontdekt toen ik afgelopen week voor het eerst met Tai Chi oefeningen begon. En daar was ze, brullend en schreeuwend als een angstig klein kind. Boos, omdat ik aan haar veilige schuilplekje ben begonnen te peuteren. Ik wil toch de bandbreedte van mijn mozaiek activiteiten gaan vergroten. Een gespecialiseerd fysiotherapie traject heeft mij de afgelopen maanden de nodige moed gegeven. Vandaar ook mijn Tai Chi experiment, want die fysio houdt natuurlijk eens op. Bij de eerste langzame beweging ontdekte ik haar. Woedend was ze en een felle pijn schoot door mijn lijf. Ze huist doorgaans in mijn onderrug, waar ze op de plaats van een dubbele hernia, een eigen wooneilandje heeft gemaakt. Ze heeft de boel stevig gebarricadeerd en hup even snel afbreken is er niet bij. Want ze kent de weg door mijn lichaam heel goed en ze heeft nog meer  schuilplekjes.  In mijn nek op de plek van een andere hernia heeft ze een boomhutje en in mijn schouders en in mijn heupen slaat ze tentenkampjes op. Dat lijkt onschuldig zo’n tent, maar mijn lijf is niet gemaakt op tentenkampjes, dus ik heb haar daar liever niet. Zodra ik denk: dat lossen we wel even op, en ik met geweld aan haar barricades begin te sjorren, vertrekt ze naar één van haar andere plekjes. Er zit niks anders op dan met veel liefde en geduld contact te leren maken, haar te leren kennen, haar vertrouwen te winnen en dan langzamerhand haar te leren om samen met mij de barricades af te breken. Een voor een. En dan hopelijk: weg boomhut, weg tent, weg wooneiland.

Een bondgenoot vind ik in onze kat Zoef! Ik heb al eerder het vertrouwen gewonnen van een wild, angstig diertje. Dat lukt me ook met dat fibromyalgie wezentje van mij.

Geplaatst in Dieren, Mensen, Thuis | Tags: , , | 4 reacties

Kadootjes

Ik stond vanochtend op met de beelden van de bestorming van Capitol Hill van de avond ervoor nog op mijn netvlies. Een zeikerig deuntje van Fats Domino ‘I found my freedom on Capitol Hill’ begeleidde het geheel en een meute scandeerde in mijn hoofd: oogbol, oogbol, oogbol! Flarden van dromen, gedachten en associaties zoals ik er elke dag en nacht ontelbare heb. Voor anderen onnavolgbaar en ik ga ze ook niet uitleggen. Het droeg bij aan een naar en onmachtig gevoel dat me vaker bekruipt als ik met dergelijke beelden word geconfronteerd. Het slaat gaten in ‘me aura’ en ik word er tot op het bot, intens verdrietig van. Mijn ochtendpagina’s waren niet genoeg om mijn afschuw te beschrijven en ook de blog die ik daarna schreef niet. Ik bleef me onmachtig voelen.  En dan geeft de dag je zomaar kadootjes. Het eerste vond ik in de brievenbus:  een vel postzegels dat ik had gemaakt om de brieven die ik naar dierbare mensen schrijf te kunnen voorzien van een extra persoonlijk tintje.

Het tweede vond ik op mijn dagelijkse wandeling bij mij in de buurt. Ik zag in de verte, om de hoek van het schoolplein, twee kinderen met elkaar staan praten. Terwijl ik dichterbij kwam, fietste er eentje weg. Een wonderschoon meisje met een prachtige bos krullend haar, opgestoken in een eigenwijze paardestaart. Mooi, zoals alleen meisjes zwevend tussen meisje en vrouw mooi kunnen zijn. ‘Blijf je lang weg?’ vroeg ze ’Neuh niet zo heel lang’ riep haar gesprekspartner. Een kleine, bebrilde jongen van een jaar of 11, vrolijk terug. ‘Ok’ zei ze en fietste door. Ik was inmiddels dichterbij gewandeld en sloeg het tafereeltje gade. Terwijl hij weghuppelde en een gat in de lucht sprong zong hij: you are sooooo beautiful….

Geplaatst in Mensen, Thuis | Tags: , , , | 4 reacties

Lichtfeest

Met een klap ben ik een paar weken geleden mijn winterslaap periode in gekukeld. Letterlijk. Bij een nachtelijk uitstapje naar het toilet viel ik flauw en landde ongelukkig op de punt van het badkamerkastje. Gevolg: een hersenschudding en een mooi litteken op mijn voorhoofd. Mijn toch al kabbelende bestaan, kwam daardoor in nog rustiger vaarwater terecht. En dat brengt mooie dingen met zich mee. Ik heb de tijd om te mijmeren over van alles. Onder andere over het vreemde jaar dat we op het punt staan af te sluiten en dat me op de valreep nog een mooi en dierbaar geschenk bracht. Een boekje over de ‘Pottenkramers uit Ransbach’ geschreven door Willem Jan Neutelings en Terenja van Dijk. Een achternicht en haar man, van wie ik het bestaan niet wist en die mij vonden via het blog Verre Verwanten.

Het is fijn om te weten waar je vandaan komt en soms nog fijner om te weten waar je naar toe gaat. Al lijkt dat laatste door het alsmaar doorwoedende Corona virus helemaal niet meer zo vanzelfsprekend. Veel mensen, ikzelf ook, zoeken een nieuwe richting, een nieuwe stip op de horizon. En hoe vind je die, als het leven ineens een andere wending neemt dan je had gedacht? Wat is dan je leidraad? Ik merk zelf dat het met mijn hoofd in mijn eigen navelpluis zitten op die vraag geen antwoorden brengt.  Het is verleidelijk om als er veel tegenzit in zelfbeklag en moedeloosheid te blijven zitten. Of erger nog: gefrustreerd te raken en boos te worden en dat af te reageren op iemand anders.  Het ìs ook vervelend, het ìs ook verontrustend en het ìs ook moeilijk. Dat staat allemaal buiten kijf… Maar dan. Wat doe je met die wetenschap en wat brengt het je? Mij brengt het hooguit een smoes om niet in beweging te komen en ook het begin van sombere buien die dan vervolgens als donkere wolken boven mijn hoofd blijven hangen. Niks goeds dus. Daarmee wil ik niet zeggen dat je je niet verdrietig mag voelen. Alles heeft bestaansrecht en een plek. Ook gevoelens. Het is alleen niet zo handig om erin te blijven hangen. Mijn voorvaderen wisten het wel. Elke nieuwe reis begint met het zetten van een eerste stap.In beweging komen. Gewoon de ene voet voor de andere gaan zetten.Daarom ben ik begonnen met dingen voor anderen te doen. Iets kleins. Positieve berichtjes op Facebook plaatsen. Een brief of kaartje sturen naar iemand die ik lang niet zag of sprak. Een gek dingetje maken en dat aan iemand geven. Lieve briefjes achterlaten voor iemand om te vinden. Hoe meer ik daar mee bezig ben, hoe handiger ik word in het vinden van opbeurende dingen. En het leuke bij effect is, dat ik er zelf ook opgewekter van word. Puur eigenbelang dus. Daarom mijn motto voor komend jaar: Wees het lichtje in het leven van een ander!

Geplaatst in Mensen, Thuis | Tags: , , | 5 reacties

Eva

Eva naar Robinet Testard

In Boccacio’s boek ‘de Mulieribus Claris’ (over verstandige vrouwen) vult ‘Eva’ het eerste hoofdstuk. “De moeder van ons allen” noemt hij haar. Er valt over Eva een heleboel te vertellen: vanuit religieuze, kunsthistorische en nog allerlei andere invalshoeken. Misschien kom ik daar in latere blogs nog wel op terug. Waar ik het nu over wil hebben is de illustratie die Robinet Testard bij de franse vertaling van deze tekst maakte en die ik naar zijn voorbeeld reconstrueerde.

We zien Eva, ietwat schuchter, naar een duidelijk mokkende Adam kijken. Tijdens het schilderen heb ik daar enorme lol over gehad. Want welk verhaal zat hierachter? Duidelijk niet alleen het bijbelse verhaal, want er zat een ook een seksuele ondertoon in. Al kon ik die niet goed ‘lezen’. Ik bedacht van alles: Adam had ruzie gehad met Eva over die appel, die nu nergens meer te zien was in de afbeelding trouwens. Vast in woede weggeschopt, na die eerste happen en het besef ‘Wáat heb je me laten doen?!’ Maar ook fantaseerde ik over hoe Adam de pest in had dat hij zo’n jong meisje had waar hij nog ‘niks mee kon’ en dat hij daarom zo de P in had. Het handgebaar dat Eva maakte draagt bij aan een seksuele connotatie, want met gemak kun je daar een vagina in zien. Maar misschien is het een handgebaar voor het Ichtus symbool, de vis, die door de eerste Christenen als herkenningsteken werd gebruikt. Je komt het symbool, gestileerd weliswaar, ook nu nog tegen. Eva uitgebreid haar vagina in de aanbieding laten doen, leek me niet kies.

Ik kwam er dus niet zo goed uit wat ik wilde vertellen over deze Eva totdat ik tijdens mijn onderzoek naar de achtergronden van het manuscript een biografie over Louise de Savoy begon te lezen. Het manuscript is gemaakt ter gelegenheid van het huwelijk van deze Louise met ene Charles d’Angouleme.  Eva lijkt op Louise en Adam lijkt op, juist! Charles. Zover was ik overigens al toen ik aan het schilderen was. De biografie werpt een licht op het verhaal achter de afbeelding van Robinet dat me raakt en ineens weet ik wat ik jullie wil laten weten over Eva.

Louise was nog een baby toen ze zich verloofde met Charles d’Angoulème. Deze verloving was een douceurtje van Louis XI (de koning van Frankrijk, bijgenaamd de Spin) aan de vader van Louise, Philippe de Bresse, die allerlei handige klusjes voor Louis opknapte als dat zo uitkwam. Louis XI bevoordeelde door deze huwelijksbelofte in één klap Philippe en sneed een rivaal, Anna van Bourgondië, de pas af. Charles was namelijk de achterkleinzoon van Karel V, een eerdere Franse koning en kon , als de sterren goed stonden, aanspraak maken op de Franse troon. Ons Lowieke de XI hield deze Charles dus liever op meer dan gepaste afstand van het Franse koninklijk hof.

Philippe, bijgenaamd ‘Meneer zonder land’, was van goede komaf, maar had verder nauwelijks wat in de melk te brokkelen, dus die wilde wel. Charles wilde eigenlijk niet, hij had al een maitresse en een kind, maar durfde niet tegen de Franse koning in te gaan, en Louise kon nog niet praten, dus zo zat Charles d’Angoulème op zijn 18e  opgescheept met een zuigeling als aanstaande bruid. Er kan een hoop gebeuren voor het kind volwassen is, zal hij gedacht hebben, dus zo’n vaart liep het allemaal nog niet. En een bruiloft of verloving had toen voor welgestelden een heel andere betekenis en functie dan voor ons hedendaagse mensen. Het huwelijk was voornamelijk een contract om andere, politieke, belangen te dienen en de huwelijkspartners waren de pionnetjes op de landkaart. Het ging niet om de liefde, maar om het aan elkaar smeden van gebieden, het sluiten van allianties en het uit onderhandelen van goede huwelijkse voorwaarden, die macht verschaften of veilig stelden.  Als er uiteindelijk toch sprake bleek van liefde was dat mazzel, maar geen doel op zich. De huwelijksonderhandelingen werden doorgaans gevoerd door anderen, vaders of heersers, en de pionnetjes die met elkaar moesten trouwen hadden daar zelf vrij weinig over te vertellen. Tenzij je zelf een van die machtigen was. Dan kon je wel een duit in het onderhandelingszakje doen. En wanneer de wind van de macht uit een andere hoek begon te waaien kon zo’n huwelijksbelofte ook zo weer verdwijnen.  Dus Charles maakte zich voorlopig nog niet druk. De verloving sudderde op de achtergrond op een laag pitje door en Louise groeide op. Eerst in Pont de l’Ain, de woonplaats van haar ouders en na het overlijden van haar moeder aan het hof van Anne de France (deze was tante van Louise en de regentes voor haar broer Karel de VIII) in Blois.

Toen Louise een jaar of 11 was ontstond er een nieuw politiek machtsspelletje dat invloed op haar leven zou hebben. De zwager van Anne de France was het niet eens met het feit dat zijn schoonzus feitelijk het land regeerde en probeerde haar op allerlei manieren dwars te zitten, daarbij geholpen door, daar hebben we hem weer: Charles d’Angoulème. Die moest een duidelijk lesje leren dus het werd tijd om de verloving om te zetten in een huwelijk. Wat heeft dat met Eva te maken, zul je denken. Nou daar kom ik nu op: Louise en Charles traden in het huwelijk toen Louise 12 jaar oud was en Charles dus 29. Haar hele opvoeding aan het hof heeft in het teken gestaan van het groeiende besef, dat vrouwen dienen om erfgenamen te produceren. Dus ook Louise was zich daar, jong als ze was, intens bewust van. Zelfs zo bewust dat haar vader lacherig schreef aan zijn 2e vrouw ‘dat Louise hem alsmaar vroeg naar de huwelijksnacht en hoe dat dan ging en of ze niet te nauw was van onderen, zodat ze misschien dood zou gaan en hoe groot ‘het ding’ van Charles zou zijn, misschien wel zo groot als haar onderarm?’ Persoonlijk vind ik dit nogal getuigen van weinig sympathie en fijngevoeligheid naar zijn dochter. Maar misschien is dat wel teveel hedendaags gedacht.   Charles probeerde ondertussen onder zijn aanstaande huwelijk uit te komen, maar hoe hij ook smeekte, konkelde en draaide, Anne de France was onverbiddelijk: getrouwd werd er.

Als ik met deze kennis in mijn achterhoofd opnieuw kijk naar Eva word ik er niet meer zo lacherig van. Ik zie  een jong meisje, nog niet volgroeid, zich bewust van haar afhankelijkheid van een oudere man en ook bereid om daar het allerbeste van te maken. Deze man kan, door met haar te paren, hun afgedwongen huwelijk consumeren en kinderen verwekken en daarmee haar toekomst veilig stellen. Of niet. En deze Adam heeft zo te zien geen enkele zin om aan die huwelijkse verplichting te voldoen. Het handgebaar van Eva kan heel goed de betekenis dragen van het aanbieden van haar maagdelijkheid. Zij wil wel. Maar hij niet! Nu vinden wij van alles van kindhuwelijken en tienerzwangerschappen. Het is omgeven met walging, afkeuring en schaamte. Je zou kunnen zeggen dat we door ervaring wijzer geworden zijn. Tenminste in grote delen van de wereld. Toen was het je heilige plicht als jong meisje van stand om ervoor te zorgen dat er nageslacht kwam. Liefst een mannelijke erfgenaam. Het kon je toekomst maken en breken.  En de huwelijkspionnetjes van toen wisten dat. Ook Louise wist dat en de hele entourage in Cognac, de plaats waar het jonge paar zich had gevestigd. Er werd door niemand moeilijk over gedaan.  Er was nog lang geen #Metoo. Robinet zal het dus ook geweten hebben. Hij begon aan de illustraties voor het boek in 1488, het jaar waarin Louise en Charles trouwden. Door Adam en Eva te schilderen zoals hij het heeft gedaan heeft hij in één enkele illustratie het hele voorgaande verhaal in beeld gebracht. Gekoppeld aan Boccaccio’s tekst over Eva. De moeder van ons allen. Heilige plicht.

Louise kreeg haar eerste kind op 16 jarige leeftijd, haar tweede op 18 jarige leeftijd en toen ze 19 jaar oud was, was ze weduwe. Over Louise de Savoy valt nog veel meer te vertellen en daar kom ik zeker nog op terug. Want hoe teer ze ook lijkt als deze Eva, bij elke nieuwe ontdekking die ik over haar doe heeft ze me weer op het verkeerde been gezet en mijn 20e eeuwse vooringenomenheid over middeleeuwse vrouwen blootgelegd. En telkens weer denk ik: What a woman!

Eva is Voorbeeldige Vrouw 3/106

 

Geplaatst in Uncategorized, Voorbeeldige Vrouwen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Pen to Press

 

Soms moet je lang wachten op een begeerd voorwerp. Dat gebeurde mij toen ik begin april via Abebooks.com een boek bestelde in Amerika. Ik was het op het spoor gekomen in een voetnoot bij een artikel over Middeleeuwse copieertechnieken en ik was onmiddellijk nieuwsgierig. Het was wel duur. De bijkomende verzendkosten waren hoger dan wat het boek kostte, maar ja, Sandra Hindman was een autoriteit op het gebied van manuscript onderzoek en dit boek zou helemaal gaan over de overgang van handgeschreven naar gedrukte boeken. Het boek was uit 1977, bijna antiquarisch, en vrijwel niet meer te krijgen. Na wat gedimdam met mezelf en mijn Lief (‘ je wil het, je weet het’) toch het boek besteld. Het zou uiterlijk 23 april bij mij op de mat liggen.  De datum kwam. En ging. Niks. Een week later. Nog niks. Elke dag liep ik vol verwachting naar de brievenbus, vandaag zou dan toch… nee. Weer niks. Uiteindelijk bleek uit een emailwisseling met de verkoper dat het boek was blijven steken in een pakhuis in New Jersey. Het kon door de maatregelen rondom het COVID virus niet verder reizen. De verkoper baalde er ook van, want hij kreeg alsmaar klachten uit West Europa. Ik zag een boekenpakhuis voor me met boeken aan de ketting. Uitreis verbod, stond er op de labels. Nog maar even geduld oefenen dan. Dit kon nog wel even duren. En toch, iedere keer als ik mijn voormalig collega met haar oranje fietstassen zag naderen maakte mijn hart een sprongetje! Vandaag dan? Nee. Weer niet. Tot afgelopen maandagochtend de bel ging. Ik maakte nietsvermoedende de deur open voor een man in een geel-rood poloshirt. Niks ex-collega. De DHL! Aan mijn voeten lag een pakje uit het buitenland met mijn naam erop. Eindelijk!

Vol verwachting liep ik met het pakketje naar binnen. Er zat grijs plastic omheen en toen dat eraf was, zag ik een kartonnen envelop met nog een keer mijn naam erop.  Ik verbeeldde me dat het pakje een beetje muf rook. Vast diens lange verblijf in dat boekenpakhuis. Met gretige vingers scheurde ik het karton stuk. Bubbeltjesplastic. Het was in ieder geval Corona vrij ingepakt. Door het plastic heen ontwaarde ik een wit-met-vegen-kleur. Hmm. Ik had voor die prijs toch minstens een gebonden boek met een mooie omslag verwacht. Teleurgesteld haalde ik het plastic van het boek af. Voor mij op tafel lag het dan. Het zo fel begeerde boek. Een smoezelig geval, met vingerafdrukken en vegen op haar kaft. Je kon zien dat het door ontelbare handen was gegaan.

Niet eens een titel op de voorkant. Oh jawel toch: in blinddruk zag ik ‘Pen to Press’ op de kaft staan. Het boek bleek een bundel essays behorend bij een tentoonstelling met dezelfde titel. Hmm. Ik dacht dat het een proefschrift was. Achterin staan allerlei plaatjes. De catalogus. In zwart-wit. Het was tenslotte een boek uit 1977….. En ineens snapte ik het: het boek had de vorm van een blokboek. Voor boekbinders een bekend fenomeen. Het was alleen de inhoud van een boek. Zonder de omslag. Vroeger, in de begintijden van de boekdrukkunst, kocht je boeken zo. Alleen de inhoud, de omslag moest er nog omheen. Daarvoor ging de klant dan naar een boekbinder. Die zorgde dat het boek werd ingebonden. Geheel naar de smaak van de klant en naar wat die kon betalen natuurlijk. Houten platten met bewerkt leer of een andere uitvoering met fluweel of een rijk versierde stof. Gepersonaliseerd noemen we dat tegenwoordig. Het papier was cremekleurig en van een zware kwaliteit. Even kreeg ik de neiging om met stoffen handschoentjes door het boek te bladeren. Om de smetteloze inhoud zuiver te houden. En wacht: was dat nu een watermerk? Curtis Rag zag ik in het papier. Wat is Curtis Rag? Bij nazoeken bleek dat een papiermolen, waar kwaliteitspapier werd gemaakt. ( oa voor officiële documenten) Het lettertype was rond en deed me ietwat denken aan een middeleeuws script uit oude handgeschreven boeken. Alleen veel kleiner en gedrukt natuurlijk.  De hele vormgeving was een eerbetoon aan het fenomeen ‘boek’. En bij het doorbladeren  kwam ik al een eerste pareltje tegen, wisten jullie bijvoorbeeld dat…? Maar daarover in een andere blog meer. Zo zie je maar weer: ‘never judge a book by its cover!’  Nu lezen!

 

Deze blog hoort bij het project Voorbeeldige Vrouwen waar ik momenteel aan werk

Geplaatst in Thuis, Voorbeeldige Vrouwen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Arachne en mijn oma

Terwijl ik kleine, tere lijntjes in het gezicht van Arachne aanbreng en mijn verfpenseel zorgvuldig in de verf doop, voel ik opeens mijn oma naast me staan. Ik merk haar op en zie haar gezicht voor mijn geestesoog. Dag oma! zeg ik in gedachten tegen haar. Waar kom jij nou zo opeens vandaan? Ze zegt niets en kijkt naar wat ik aan het doen ben. Ineens snap ik waarom ik juist nu aan Arachne, de vlijtige kunstenares met naald en draad werk. Ook mijn oma was bovenmatig goed in textiele werkvormen: breien, haken, borduren: you name it, mijn oma kon het. Toen we klein waren, mijn zusje en ik, eindigde menig bezoekje aan mijn oma met een nieuwgemaakte jurk, vest of trui. Mijn oma had een timmermansoog voor kleding. Ze mat zelden en met vaardige vingers maakte ze haar kunststukjes. En niet alleen voor ons, maar ook voor mijn nichtjes en neefjes, haar andere kleinkinderen. In mijn vage jeugdherinneringen figureert een door mijn oma gemaakte lievelingsjurk met een poes erop. Dat had ze goed gezien, dat ik zou opgroeien als kattenliefhebster. Of misschien kwam het wel door dit jurkje.

Ook Arachne was een kunstenares met draad en textiel. Het verhaal gaat dat zij zo prachtig kon weven dat men dacht dat ze was opgeleid door de Godin Pallas Athene (voor de romeinen: Minerva) Arachne vond  dat klinkklare onzin. Ze was tenslotte vanaf haar vroege jeugd omringd door kleur en textiel. Haar vader, Igmond uit Colophon, was purperverver. Hij verfde wol in prachtige paarse tinten. Dat wat ze kon had ze zichzelf geleerd. Daar kon niemand behalve zij de credits voor opeisen.

Toen Pallas dit ter ore kwam ging ze vermomd als een oude vrouw naar Arachne om diens weefkunsten eens van dichtbij te bekijken. De weefsels waren inderdaad van een bovenaardse kleurrijkdom en schoonheid. De oude vrouw maakte Arachne uitgebreid complimenten over haar vaardigheid en het duurde dan ook niet lang voordat Arachne begon te pochen. De oude vrouw waarschuwde haar dat ze niet zo moest opscheppen en dat meer nederigheid haar zou sieren. Ze zou de godin Pallas Athene wel eens behoorlijk kunnen gaan irriteren met haar opschepperij. Arachne trok zich hier niets van aan en deed er nog een schepje bovenop. Ik durf te wedden, zei ze, dat als Pallas en ik een weefwedstrijd deden, dat ik zou winnen.  Dat ergerde Pallas zo, dat ze onmiddellijk haar eigen gedaante aannam en Arachne aan haar uitdaging hield. En zo geschiedde. Pallas en Arachne deden allebei hun stinkende best op een werkstuk voor de wedstrijd. Pallas verwerkte in haar weefsel taferelen waar stervelingen in hun hoogmoed moesten buigen voor de Goden en lesjes nederigheid leerden. Arachne  op haar beurt weefde met veel plezier alle verhalen die ze kenden over Goden die naast de pot piesten. En dat alles in de meest prachtige kleuren.

Toen brak de dag van de jurering aan. Daarover lopen de verhalen uiteen. In de ene versie wint Pallas en moet Arachne haar nederlaag erkennen. In de ander is het precies omgekeerd en wordt Pallas onzettend kwaad. Hoe het ook zij: in beide versies verhangt Arachne zich.  En terwijl ze daar zo hangt, bungelend aan haar touw, verandert Pallas Arachne uit medelijden (of uit wraak, ook daarin lopen de versies uiteen) in een spin en verdoemt Arachne en diens nageslacht tot het eeuwig spinnen en weven. Spinnen heten met hun wetenschappelijk naam dan ook nog steeds Arachnides.

Mijn oma heb ik nooit kunnen betrappen op hoogmoed. Ze was de dienstbaarheid zelve. Ze overleed toen ik een jaar of 14 was en ik heb haar nooit met mijn  volwassen vrouwenogen gezien. Trots zal ze denk ik wel zijn geweest op haar vaardigheden. Ze voorzag daarmee in haar eigen onderhoud en dat van haar kinderen, toen ze al vrij jong weduwe werd. 13 mei, vandaag, is haar geboortedag. Wilde ik daarom zo graag aan Arachne werken? Ik reik met mijn voelsprieten uit naar mijn oma. Ze glimlacht.

Arachne is Voorbeeldige Vrouw 8/106 

Geplaatst in Voorbeeldige Vrouwen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Groeten uit de Torens van Babbel 1

‘Neem je nog even desinfecterende handzeep mee voor in de auto?’ Vroeg mijn Lief toen ik laatst boodschappen ging doen. Dat dat gemakkelijker gezegd dan gedaan was, bleek, toen ik voor het rek in het Kruitvat stond. Geen desinfectans meer te vinden en ook de meeste zeep was uitverkocht. Ik scande wat er nog wel lag: nog wat doosjes geparfumeerde zeep, Savon de … genaamd, als eerbetoon aan het prijskaartje dat eraan hing. Daarom waren ze er waarschijnlijk nog. Ik keek nog wat verder naar beneden en toen opeens zag ik ze: kleine, zwart met rode, doosjes. Op de onderste plank in hun eigen vak, netjes in het gelid. Maja zeep uit Spanje!

Ik maakte voor het eerst kennis met deze zeep toen ik als jong meisje bij een tante logeerde. Wij gebruikten thuis nooit zeep met een extra lekker luchtje. Teveel fluf voor teveel geld, zal mijn moeder toen ongetwijfeld hebben besloten. Maar mijn tante, veel jonger dan mijn ouders, was op een rondreis naar Spanje geweest en had misschien daar de zeep gebruikt. Wie zal het zeggen. In elk geval slingerde het welriekende blokje in haar douche cabine rond. Het rook niet naar Lelietjes der dalen of roosjes, maar naar iets anders. Zwaarder, kruidiger, sensueler ook. Ik vond het een heerlijke geur, en eenmaal thuis ging ik op zoek naar het merk. Het gaf me een tot dan toe ongekend gevoel van luxe om me ermee te wassen en het maakte ook dat ik me net een beetje vrouwelijker en aantrekkelijker voelde. 20200325_145424Jarenlang heb ik het zeepje voor mezelf als verwennerij gekocht. Totdat het, zoals dat vaker gaat met dingen van vroeger, uit mijn persoonlijke straatbeeld verdween.

En daar lag het zomaar, de geur nog even lekker. Ik kocht meteen twee stukjes. Eentje voor mezelf en eentje voor mijn dochter. Die gaat in een envelop met een gek kaartje naar haar op de post. Van de mijne heb ik eens schuimtoren gebouwd. Om mezelf in te hullen, zacht en geurend. Mijn eerste Toren van Babbel.

Geplaatst in Jeugd, Mensen, Thuis, Voorbeeldige Vrouwen, Vrouwen van Verstand | Een reactie plaatsen

Een Engel maken

Afgelopen week heb ik meegedaan aan een cursus ikoonschilderen onder begeleiding van Marieta Rotariu in Abdij Koningsoord. Ik had al een tweetal lessen gevolgd, was al begonnen aan een ikoon, maar wilde in deze week iets speciaals maken. Iets dat me zou helpen om een aantal moeilijke gebeurtenissen uit de afgelopen tijd een plaats te kunnen geven. Al had ik geen idee van hoe ik me dat dan zou moeten voorstellen. Ik wist alleen maar dat ik er ‘iets’ mee wilde doen. En dat willen was niet echt een ‘willen’willen maar een weten willen, met je hart. Ik nam mijn voormoeders en voorvaders, de dichtbije en de veraffe,  mijn zoon en dochter in gedachten met me mee het klooster in, liet ze vrij en liet mijn handen het werk doen. Het mengen van het eigeel met de pigmenten, het volgen van de aanwijzingen van de docente, die als een soort Klein Duimpje een spoor van waardevolle broodkruimels om te volgen legde. Het zachte vegen van mijn penselen, waarmee ik de in aanvang donkere kleuren van steeds nieuwe en meer verfijnde lichtlagen  voorzag. Het leidde tot een voor mijn ogen tot leven komen van mijn schilderwerk.

De week werd ook gekleurd door de ontmoetingen met mijn medecursisten, de zusters en andere gasten in het klooster: sommige kort, andere wat uitgebreider. Sommige verkennend, andere herkennend en sommige helend, andere soms wat ongemakkelijk. Door het vroege opstaan, het bijwonen van de gebedsdiensten in de kloosterkerk waar het invallen van het ochtendlicht en het gezang van de zusters me telkens weer ontroerde. Als vanzelf ademde ik na verloop van tijd mee met de ademhaling van het kloosterleven. Al sliep ik niet al te best in een smal éénpersoonsbed zonder de warmte van mijn Lief. De stilte die soms zo moeilijk te verdragen was en die ik zo miste toen ik weer thuis was.

Alles draagt bij aan een ervaring die nog steeds nazingt en waarvan ik niet goed kon vatten wat het me, naast het ikoon, heeft gebracht. Tot vandaag.

Ik zag een filmpje waarin een vrouw vertelt over hoe zij haar man heeft ontmoet en hoe hun leven samen verliep. Ze trouwden. Zij, zwanger en met een heleboel ballast van een onvriendelijk leven waardoor haar vertrouwen in de mensheid al op jonge leeftijd beschadigd was. Hij, verliefd, met een groot hart voor haar en bereid haar zonder oordeel te nemen voor wie en wat ze was. Het was een verhaal dat de kracht van helende woorden illustreerde, want woorden kunnen maken en breken en de titel van het filmpje was: Create an angel 

Kort voor het zien van dit filmpje sprak ik mijn vader en hij vertelde me dat hij zich heeft voorgenomen om elke dag iets aardigs te doen voor iemand. We hadden het over blijven hangen in verwijten, over geplaagd worden door de spoken uit je verleden en de keuze die je hebt hoe daarop te reageren. En hoe die keuze maakt of je blij bent of niet. De passage die me in het verhaal van de vrouw zo raakte lag in het verlengde van dit gesprek en ging over hoe gemakkelijk het is om op zoek te gaan naar de shit in het leven. Aan wat er niet deugt aan het leven en aan de mensen om je heen, aan wat ons is aangedaan en wat we tekort zijn gekomen.  Dat doen wij mensen graag zei ze. En er is meer dan genoeg van. Maar terwijl je daarmee bezig bent, kun je niet op zoek gaan naar de engelen in je leven, die er ook zijn. En sterker nog: je kunt ook niet de engel in jezelf vinden, die waarmee je een engel voor anderen kunt zijn.

In mijn familie komt van beide zijde trauma voor. Daar zal mijn familie geen uitzondering in zijn. Het leven met zijn harde kanten heeft in mijn (voor)ouders diepe sporen getrokken die zich hebben vertaald in gedrag. Gedrag, doorgegeven door de generaties en waar ik als opgroeiend kind en jong mens door ben geraakt, getekend en gevormd. En dat ook mij, op mijn beurt, mede heeft bepaald in gedrag naar mijn kinderen. Er is in mijn leven genoeg shit, van vroeger en ook nu, om in te blijven hangen, om anderen verwijten mee te maken of mee om me heen te slaan. Ik ben geen heilige: dat zal heus ook nog wel eens gebeuren. Maar er is ook in mij een groeiend besef dat ik een keuze heb. En zelfs een plicht tot kiezen. Om niet weg te kijken en te ontkennen wat er was aan veroorzaakt leed en om iedere keer dat het opduikt te blijven staan, te durven kijken en te durven voelen wat er is. Om dan na verloop van tijd, wanneer dat weer kan, vrij van oordeel verder te gaan. Soms duurt dat proces wat langer, soms wat korter, maar altijd komt er weer licht in en dat is het moment van de vraag: hoe ga ik hiermee verder.

Tijdens de ikonenweek schilderde ik de Aartsengel Gabriël. De boodschapper, de beschermer van communicatie. Ik heb hem tot leven gebracht tijdens het schilderproces en hij heeft in mij iets aangeraakt. De kracht van helende woorden.

Geplaatst in Mensen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Moedertje

“Zie je die bobbel op die foto van mij? Die waar ik dat gebreide jurkje op aanhad?”Ik heb mijn moeder aan de telefoon. Sinds ik haar fotoalbum aan het scannen ben komen er allemaal verhalen los over ‘vroeger’. Ik loop in gedachten de foto na: een mooie witte strik in haar donkere haren, de lange pijpekrullen, het ontdeugende snoetje wat me elke keer zo raakt als ik kinderfoto’s van mijn moeder zie, de open iets ‘van onder’oogopslag. Het kruisje om haar nek, maar de bobbel? Die had ik niet gezien.

Toen ik de foto er opnieuw bijpakte zag ik het wel. “Weet je wat dat is?”vroeg mijn moeder. Ik keek nog eens goed. Een klein, ietwat driehoekig bultje leek aan iets om haar nek onder haar kleren te zitten. Ik hoorde de lach in haar stem. ‘Geen idee’zei ik.

“Het is een fluitje! Dat had ik altijd bij me. En als ik boos was, blies ik erop. Heel hard!”

Ik kijk nogmaals naar de foto, zie de ontdeugende snoet en hoor in gedachten het snerpende geluid van een boos aangeblazen fluitje. Stoom afblazen!

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties