Innerlijk teamoverleg

Ik zit op de bank te bladeren in een Flow en een boek met tekenvoorbeelden. De inspiratie slaat onmiddellijk toe. Voor Snoezepoes ben ik aan het researchen en daar mag ik de tijd voor nemen. Ik wil mezelf beter leren tekenen gedurende dat onderzoeksproces en dat verdraagt zich niet met dat de eerste tekening meteen raak moet zijn. Maar op mijn lessenaar boven ligt al iets anders te wachten.  Iets wat ik eigenlijk had gepland voor vandaag.  Dus al die inspiratie voor kamerplanten, potkacheltjes en Snoezepoezen die nu door mijn lijf stroomt moet maar even wachten. Of niet? Wat is er eigenlijk mis mee om gewoon te beginnen met waar ik nu het allermeeste zin in heb? Ik wilde toch een aantal projecten naast elkaar doen? Juist om niet vast te blijven zitten in één ding? Om die inspiratiestroom te kunnen blijven voeden?

In mijn binnenste fluistert een piepklein stemmetje: ‘Jij maakt nooit wat af!’  Oh, dáár gaat het over. Dat kleine stemmetje dat iedere keer opduikt als ik aan iets anders wil gaan beginnen dan ik me had voorgenomen. Eerst het ene afmaken en dan pas aan het andere. Zo heb ik het geleerd.  Als ik om me heen kijk in mijn werkkamer en elders in het huis liggen er inderdaad overal half affe projecten. Papiermache Volkjes die nog geschilderd moeten worden ( ik vind het zo heerlijk om dat met lekker weer buiten aan de tuintafel doen) Schetsboeken met droedels en ideeën voor ooit. stukjes van verhalen en blogjes. Boeken, heel veel boeken. Haakwerken waar de draadjes nog van ingestopt moeten worden ( OK dat is een rotklus die ik uitstel) Schilderijen die staan te drogen en wachten op een volgende laag, omdat olieverf is nu eenmaal een slow paint is…

‘Zie je wel’piept het stemmetje weer.’Allemaal nog niet af’ Ik kijk nog eens goed. Niets van wat ik om me heen zie kijkt beschuldigend terug. ‘Het eet geen brood’ zegt mijn Lief regelmatig als we het over onze ‘onderweg projecten’ hebben. En voor bezoek is er altijd van alles te zien.  Hij gaat hier een stuk rielekster mee om dan ik. Er word aan alles nog steeds gewerkt, al is het soms met grote tussenpozen. En ja soms komt iets niet af. Dat klopt. Dan ben ik echt verder gegaan. Met iets anders. Iets waar ik het voorheen geleerde in toepas, maar dan beter. ‘Afmaken om het afmaken is net zo stom als iets niet afmaken terwijl het wel naar je blijft roepen.’ Het stemmetje zwijgt. ‘Nou?’dring ik aan. ‘Uhmmmmm…. Ik weet het niet’ hoor ik zacht. ‘Ik heb er nog nooit verder over nagedacht’ Nu word het interessant. ‘Waarom moet je iets afmaken als je er voor je plezier aan begonnen bent? En als je nu met grote tegenzin verder moet? Of als je aan iets bent begonnen om ervan te leren en je hebt de les geleerd? Nu we het er toch over hebben: wat is er mis met meerdere projecten naast elkaar doen?’

‘Kweenie’ hoor ik. ‘Wat moet ik dan verder gaan doen? Wat voor nut heb ik dan nog?’

Zou het daarom gaan? Iets blijven roepen omdat je dat altijd  al deed en je vergeten bent waarom het ooit was? ‘Als je me nou eens op een andere manier gaat helpen?’zeg ik. ‘Hoe dan?’ Nou eh…..Ik merk dat ik het eigenlijk ook niet weet. Want als hulp heb ik dat nare piepstemmetje dat bij elk nieuw plan roept ‘jij maakt nooit iets af’ nooit ervaren. Dat riep ze al vanaf dat ik heel klein was.

En opeens zie ik mezelf. Met een klein rommelig naaiwerkje in mijn handen. Ik kijk op naar mijn moeder. Ze is druk. Haar haren hangen hangen in piekjes om haar hoofd, haar ogen kijken alweer naar iets anders en ze doet doenerig. Ik kijk naar mijn naaiwerkje. Hanepoterige steken verbinden twee lapjes aan elkaar. So far so good. Maar nu weet ik echt zelf niet meer hoe ik verder moet. Want Pop kan het bloesje zo niet aan. Hoe moet haar hoofd er doorheen? Ik kijk opnieuw op naar mijn moeder, die alweer met iets anders bezig is. ‘Ik help jou niet, want jij maakt toch nooit iets af’ zegt ze. Ongetwijfeld nooit vervelend bedoeld. Maar in de loop van de tijd is het zinnetje naar binnen geslagen en daar een naar snerpend geluid geworden. Het stukje ‘ik help jou niet’ is eraf gevallen. Het stemmetje in mijn binnenste zwijgt. Ik ook. Ik ga potplanten tekenen.

En toch eindigt het verhaal hier niet. Het stemmetje-van-binnen heeft wel degelijk een functie, merk ik verderop in de week. Nadat ik achtereenvolgens potplanten, Urban Sketching, Art Nouveau kunst, Ornamenten, Middeleeuwse sierranden, werken met bister, het zelf maken van bijenwaspapier, linobuttons en nog wat dingen die ik allang weer vergeten ben met evenveel verve de revue heb zien passeren. Ik ben een nieuwsgierig, enthousiast mens en raak snel in de ban van iets. Duik erin, heb wilde plannen en begin met de uitvoering, ontdek iets nieuws, duik erin  en dan begint het wieltje weer te draaien. Daar is vast een naam voor in de DSM V. Deze eigenschap van mezelf werd vroeger in toom gehouden door mijn vele taken, mijn plichtsgevoel en loyaliteit en (ik durf het bijna niet te zeggen) wie weet misschien ook wel door dat stemmetje. Inmiddels ben ik baas over mezelf  en mag ik alles wat ik maar wil. Alle ruimte dus om mijn nieuwsgierigheid de ruimte te geven en los te gaan. Of toch niet? Tijd voor innerlijk Teamoverleg!

Advertenties
Geplaatst in Mensen, Thuis, Vrouwen en psychiatrie | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Passen en meten

Ik kijk in het deksel van mijn passerdoos. Mijn Lief heeft me zojuist geattendeerd op de piepkleine lettertjes die op het etiket geschreven staan. Het is een mooi, regelmatig en duidelijk handschrift. De hand van iemand die gewend is om secuur te werken. Heel anders dan het mijne, dat schots en scheef is en soms zelfs ook voor mijzelf bijna onleesbaar, omdat ik altijd sneller denk dan ik kan schrijven. Ik zie een naam en een adres. Er wordt een kleine jachthond in mij wakker! Wie was die vorige eigenaar/gebruiker van mijn passerset? Welke handen hebben de trekpen vast gehouden waar ik deze middag pas voor het eerst echt mee heb gewerkt? En wat suf dat ik nog nooit, tot vandaag, had gezien dat er een naam in mijn kostbare geschenk stond!

Een paar jaar geleden kwam mijn vader op bezoek, op doorreis naar huis na een korte vakantie. In de afgelopen jaren heeft hij zich ontpopt als een fervente ‘Kringloopwinkelsnuffelaar’. Van alles tikt hij daar op de kop. Zijn eigen voorliefde gaat uit naar bijzondere beeldjes. Meestal van hout. Hij heeft inmiddels al een vitrinekast vol. Maar nu had hij iets anders gevonden. ‘Voor jou’zei hij, terwijl hij een plat doosje uit de zak van zijn colbertje haalde. ‘Wild Heerbrugg’stond erop. Ik kreeg het doosje niet onmiddellijk open: een ingenieuze, kleine, vergrendeling voorkwam dat het deksel vanzelf open zou vallen. Op een zwart fuwelen ondergrond ontwaarde ik een passer, een buisje voor passerpunten en allerlei hulpstukken waarvan ik geen idee had waar ze voor dienen. Ze lagen allemaal keurig in hun eigen nestje. Een prachtige passerset. Ik heb nog geen idee waar ik die voor ga gebruiken, maar ik ben er blij mee. Een bijzonder kado, gevonden door mijn vader in de Kringloopwinkel in Heiloo..

Af en toe maak ik de doos open en kijk ik ernaar. De passer gebruik ik om rondjes te trekken en verder laat ik de hulpstukken voor wat ze zijn. Een zoektocht naar het merk ‘Wild Heerbrugg’ leert mij dat het een kwalitatief zeer goede passerset is die vooral in de jaren 50-60 van de 20e eeuw veel verkocht werd.  Mijn schoonvader, die zo’n set ooit voor zijn technische opleiding leerde gebruiken vertelt me op een feestje waar alles voor dient. Een bijzonder gesprek, gelardeerd met allerlei jeugdherinneringen. Dierbaar. Mijn passerset komt steeds meer tot leven, maar raakt ook weer wat in de vergetelheid.

Begin dit jaar start ik met een cursus Middeleeuws verluchten. Opeens komt de passerset weer in beeld. Op de lijst benodigheden staat ‘een passer’ maar waar is het ding? Paniek! Waar issie? Na een uitgebreide zoektocht ontdek ik het platte doosje in een bak met kleurpotloden. Al drie keer overheen gekeken omdat het op zijn kant stond! Vanaf nu heeft het een vaste plek op mijn werktafel. Op de cursus demonstreert de docent hoe je lijnen kunt maken met de trekpen, die ook in het doosje zit. Je laat wat inkt in het bekje lopen en met een lineaal, mèt inktregel (dus dáár is dat holletje aan de zijkant van een lineaal voor!) trek je een prachtig strakke dunne lijn. Hij dan. Ik vind het een hoop gepruts. Thuis oefen ik wat met die trekpen, maar het kan me niet bekoren. Ik gebruik liever mijn penseel, dan maar schots en scheef.

Maar naarmate de cursus vordert en ik steeds heviger verliefd raak op  de Middeleeuwse afbeeldingen die ik ontdek en leer maken, beginnen mijn hobbelige lijntjes me toch te storen. En nu ik begonnen ben met een eigen project en de eerste afbeelding bijna af is….

Ik maak het doosje open en haal de pen eruit. Zou ik het durven? Ik heb zo’n dikke 20 uur over deze illustratie gedaan en als ik een lijn om de afbeelding zet en het gáát mis verpruts ik al dat werk in één klap! Maar die hobbellijntjes in die kaders en die boog zijn wel erg storend… Ik vul de pen met verdunde gouacheverf zoals mijn docent heeft voorgedaan. Op een apart papiertje oefen ik even, haal diep adem en leg de lineaal op mijn tekening. Voorzichtig trek ik een lijntje. Het lukt! En wat word het mooi! In gedachten vraag ik mijn opa om hulp. Die was gewend om met dit soort spullen te werken. ‘de pen wat schuiner houden, zo ja. Niet te hard drukken, want dan kras je het papier kapot. Rustig aan! En even letten op de vloeibaarheid van je verf. Niet te dik en niet te dun’ Langzaam, lijn voor lijn, werk ik mijn illustratie verder af. Ik voel me verbonden met mijn opa, die me fluisterzacht instrueert hoe de pen te gebruiken, met mijn schoonvader en door het ontwaren van de naam op het etiket opeens met de vorige eigenaar/gebruiker van de set. Wie zou dat geweest zijn?

Mijn Lief zit al op Internet. Over zijn bril turend op zijn slimme foon, bekijkt hij piepkleine lettertjes. Zelf duik ik achter de laptop. Groter scherm. Vanaf de bank hoor ik: Ik heb een P. Helemigh uit Velsen gevonden. Tekenaar staat erachter. Hij wordt genoemd in een oud adresboek uit de 60-er jaren. Verder komen we vooralsnog niet.

Ik duik in de stamboomarchieven en vind via daar een website waarop de familie Helemigh vermeld staat. Op zoek naar een ‘P’ vind ik twee Pieters. Een oudere, geboren in 1899 en overleden in 1960, en een jongere. Geboren in 1939. Zou dat hem zijn? Op het etiket in mijn passerdoos staat ook een jaartal: 20 oktober 1960. In hetzelfde fijne handschrift. In 1960 is deze Pieter 21 of 22 jaar. De passerset was ook voor toen duur. Mijn schoonvader krijgt nog steeds glimmende ogen als we het erover hebben. Hij had hem destijds graag zelf gekocht maar koos voor een goedkopere optie. Misschien was het een bijzonder kado geweest. Voor een eindexamen van een opleiding of een eerste baan. Misschien was het een aandenken: bij leven gegeven door de gever in afwachting van zijn overlijden. De oudere Pieter overleed immers in 13 november 1960.  Een paar weken na de datum op het etiket. Ik besluit de stamboomonderzoeker een mailtje te sturen. Kan de jonge Pieter mijn P zijn? Al snel krijg ik antwoord. Dat zou heel goed kunnen. Zijn vrouw leeft nog. De mail vermeldt een adres en een telefoonnummer. Ik zou kunnen bellen…. Maar wie weet wat ik overhoop haal als ik zomaar met het belletje in huis val. Een brief dus.

Word vervolgd!

Geplaatst in Kunst, Liefde voor Middeleeuwen, Mensen | Tags: , , , , , , , | 12 reacties

Dick Bruna

Vandaag is Dick Bruna overleden. Hij is 89 jaar geworden, dus het lag in de lijn der verwachtingen dat de man op enig moment het tijdelijke voor het eeuwige zou gaan verwisselen. Toch overvalt het me en ben ik er verdrietig van. Net als veel ouders heb ik mijn kinderen toen ze klein waren, de boekjes van Nijntje voorgelezen. ‘Nijntje in de dierentuin’ was bij ons favoriet en we kenden het lange tijd helemaal uit ons hoofd. ‘Zeg Nijn zei vader op een dag’, hoorde ik mijn man dan vanuit de keuken roepen en ik vulde dan aan met: ‘ik heb een goed idee!’ Deze beginzinnen horen inmiddels tot onze familietaal. Want ook nadat onze kinderen al lang te groot waren voor de Nijntjeboekjes klonk dit vraag en antwoordspel nog regelmatig ergens in ons huis, als aankondiging van een leuk familieplannetje. scan0013-b

Nijntje hoorde gewoon bij het opgroeien van mijn kinderen. De boekjes slingerden door de kamer en werden voorgelezen voor het slapen gaan of gewoon zomaar omdat we daar zin in hadden. Ik breide ‘Dick Bruna truien’ met naast Nijntje, ook Dick Bruna kippen en Dick Bruna lammetjes. ‘Dick Bruna’ hoorde bij het straatbeeld van ons gezin met kleine kinderen. En we genoten er allemaal van. Groot en klein.

Hoe ongelooflijk knap de ontwerpen van Dick Bruna in elkaar zaten zag ik pas heel veel later, namelijk toen ik een aantal jaren geleden mijn eigen Volkje begon te maken. Toen pas ontdekte ik de Kunstenaar Dick Bruna. Hoe een lijn net anders zetten het verschil kon uitmaken in wat je wilt overbrengen. Waar je, en in mijn geval of je, oogjes plaatst, de stand van het hoofd, kortom: de subtiliteit die in die bedrieglijk eenvoudige tekeningen zit en die een ontwerp maken en breken. Mijn dochter nodigde mij in 2015 uit voor de tentoonstelling ‘Dick Bruna Kunstenaar’ in het Rijksmuseum in Amsterdam en groot was mijn trots toen ik ontdekte dat hij zijn Nijntje op eenzelfde manier ontwierp als ik mijn Volkjes. ( Op heel veel velletjes transparant papier, net zolang tot het ontwerp goed is.) En toen ik in een vitrine de omslag van een van de eerste Nijntjeboekjes zag en ontdekte dat dit een l-i-n-o-s-n-e-d-e was! Man! Mijn dag kon niet meer stuk! Dat het verder een kleine tentoonstelling was vond ik jammer en veelzeggend. Mensen verwarren ‘eenvoud’ vaak met ‘kinderlijk’ in de betekenis van infantiel of naief en daarmee niet voor volwassenen geschikt. Voor mij is kinderlijke eenvoud iets anders. Het is het ontdoen van alle volwassen frutsels en franjes en de dingen laten zien zoals ze zijn. Puur en simpel.

Toen ik voor het eerst met mijn Volkje naar buiten trad en iemand tegen me zei: ‘Weet je, ze doen me een beetje denken aan Dick Bruna, vind je dat vervelend dat ik dat zeg?’ Voelde ik me niet beledigd. Integendeel: ik voelde me zeer vereerd. Want het vraagt om moed om je kinderlijke eenvoud te bewaren en de verbeelding daarvan te  laten zien in een volwassen wereld, die meer opheeft met frutsels en franjes. Dick Bruna kon dat en Dick Bruna deed dat. Dick Bruna was in die zin een moedig man. En hij werd voor mij daarmee een groot voorbeeld. Het bewaren van de eenvoud is een van de belangrijkste spelregels die ik mezelf opleg bij het maken van mijn Volkjes. Dick Bruna heeft grote en kleine mensen met zijn werk vreugde en troost bezorgd. Net zoals ik dat op een heel veel bescheidener schaal hoop te doen met mijn prenten. Dank Dick Bruna voor het bewaren en bewaken van die oh zo belangrijke eenvoud in je woorden en je beelden.

 

 

Geplaatst in Kunst, Mensen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Gesprek met een Orchidee

orchidee

Vandaag had ik een gesprek met de orchidee, die op de vensterbank in onze keuken staat. Ik was knorrig opgestaan. Zonder duidelijke reden voelde ik me ontevreden en kwam slecht op gang. Soms heb ik zoveel plannen dat ik domweg niet kan kiezen waar ik mee aan de slag wil. De uitvoering van sommige van die plannen kost veel tijd en geduld… en tsja, dat is nou niet mijn sterkste kant. Ik wil snel resultaat om dan snel weer naar het volgende te kunnen gaan, maar ik wil me ook ontwikkelen en mijn vaardigheden vergroten en verdiepen en dan past ‘snel’ even niet. En dan doe ik maar helemaal niks. Wat me uiteindelijk slecht bekomt.

Dus daar stond ik, met de waterketel in mijn hand, somber broedend uit het raam te staren met om half 9 al geen zin in de dag die komen ging, toen de orchidee mijn aandacht trok.

‘He pssstttttt…’ hoorde ik. Ik keek om me heen. Mijn oog viel op de uitbundig bloeiende bloemenpracht op mijn vensterbank. Verschillende bloeiende bloemtakken hadden haar topzwaar gemaakt. Ze hing al dagen naar één kant van haar pot en kwam steeds schever te hangen. “Teveel bloemen” zuchtte ze. ‘Maar ja, ik kan het niet helpen, als ze willen, gaan ze groeien. Ik heb geprobeerd ze niet allemaal tegelijk uit hun knoppen te laten, maar ja… en om ze nou niet uit te laten komen…’ Teder liet ze haar groene vingers langs de vele bloemkopjes glijden, ‘ze zijn zo prachtig he??? En ik houd zo van ze! Van allemaal evenveel!’

‘Ja’ zei ik denkend aan mijn eigen vele bloemen waar ik nu net zo chagrijnig van werd.

Orchidee bewoog een beetje: ‘het is alleen een beetje zwaar aan één kant zo.’ ‘Ja’ zei ik terwijl ik wat meewarig naar haar keek. Ze was inderdaad nog schever gezakt en over niet al te lange tijd zou ze met pot en al van de vensterbank kieperen, desnoods een licht handje geholpen door een van onze poezebeesten. Ik zette haar weer recht en zag hoe ze in een tergend tempo onmiddellijk weer steeds verder naar een kant van de pot overhelde. Precies dat waar ik bang voor was. Als ik met al mijn plannen tegelijk aan de slag zou gaan (en ik ken mijn eigen enthousiasme) was dat precies het plaatje dat ik voor ogen had: tergend langzaam, maar onafwendbaar naar de afgrond hellen! No way dat me dat gaat gebeuren! Maarja ze waren allemaal zo leuk! En ik kon ze toch niet, niet uit laten komen?

“Maar zo hoeft het toch niet te gaan?” zei Orchidee. Ik kan het niet helpen dat al mijn bloemen zo ongeveer allemaal tegelijkertijd klaar zijn om uit hun knoppen te barsten, maar jij wel! Jouw bloemen hebben allemaal een eigen ‘tot-bloei-kom-tijd’ en ze gaan echt niet allemaal tegelijk!

Zou ze gelijk hebben? vroeg ik me af, terwijl ik mijn rijpe en onrijpe ideeën eens de revue liet passeren. Wat als ik nou eerst… en dan… en dat duurt  gewoon een aantal jaren… Ik zette Orchidee weer rechtop terwijl ik zocht naar iets om haar gewicht beter te balanceren. En ineens realiseerde ik me: daar gaat het over! Balans! Met al die uitbundigheid in mijn brein is de kans natuurlijk levensgroot dat ik de balans al voordat ik begin kwijt ben. Daarom was ik eigenlijk een beetje stilgevallen. Want beter niks, dan puinhoop! Maar wat als ik nu de tot-bloei-kom-tijd als graadmeter neem? En de uitvoering van mijn plannen daarop afstem?

Inmiddels had ik een wasknijper gevonden die ik als stutje in de orchideeëenpot kon leggen. Orchidee stond meteen weer fier rechtop, al helde, ze als je goed keek, nog licht naar een kant. “Zet je me af en toe even overeind? Dan herinner ik jou aan je totbloeikomtijd” zei ze met een knipoog.

 Deze blog is eerder verschenen in ‘Het Vrije Volkje’

Geplaatst in Mensen, Thuis | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Seeds of the heart

Bij het opruimen van mijn atelier viel een klein kaartje uit een boek. Ik had het een tijdje geleden voor mezelf gemaakt en was het alweer helemaal vergeten. ‘Zaden van het hart moet je koesteren’ stond erop. En dat kleine zinnetje zette mijn creatieve brein aan het werk. In een mum van tijd had ik een ontwerpje gemaakt, gesneden en afgedrukt dat “Seeds of the heart” heet. En ik wist ook meteen wat ik ermee wilde gaan doen: zaaien!

foto: Angelina Meijers

foto: Angelina Meijers

 

Kleine hartezaadjes die je zomaar ergens achterlaat. Met een lief tekstje erop voor de eerlijke vinder. In het bushokje waar je op je bus hebt gewacht, in de brievenbus van de buurvrouw, onder het slaapkussen van je Lief, tussen de koekjes in de supermarkt… Gewoon om lichtpuntjes te verspreiden in deze donkere tijden. Nadat ik mijn eerste zaadjes had uitgedeeld vond ik een verhaaltje over het wichtelmannetje, een klein kaboutertje dat  in de maanden november en december kleine, lieve dingetjes doet. Anoniem, want dat is de pret. Toen wist ik het zeker! Mijn hartezaadjes mogen de wereld in!

 

imag1901

Wil je helpen zaaien? Stuur dan een mailtje met je naam en adres naar emmy@volkje.nl  

 

Geplaatst in Mensen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Verre verwanten

In de wintermaanden schoof hij zijn voeten onder de keukentafel van mijn overgrootvader. Op een dag was hij er opeens en ergens in maart was hij weer verdwenen. Dan kreeg hij de kriebels en ging hij weer op pad. De paden op, de lanen in. Zwerversbloed.

Een aantal jaren geleden werd ik gegrepen door het onderzoek naar de familie van mijn vader. ‘We stammen af van roofridders’zei mijn vader altijd als ik ernaar vroeg. Later werd me duidelijk dat die roofridders eigenlijk marskramers waren, al zal er onderweg heus wel eens wat gejat zijn. Uit honger of anderszins. Ik was net begonnen als postbezorger en realiseerde me dat ik, net als mijn voorouders, van deur tot deur trok. Dat vond ik een leuke parallel in mijn familiegeschiedenis en dus ging ik op zoek.
Mijn vaders familie komt oorspronkelijk uit een klein plaatsje in Duitsland, Ransbach in de buurt van Koblenz, van waaruit van oudsher marskramers met de bekende Keulse potten op weg gingen om hun waar aan de man te brengen. Zo ook mijn voorouders. Van maart tot november trokken ze rond. Vaak met hele gezinnen en in de wintermaanden schoven ze hun hun voeten weer onder de keukentafel in Ransbach. Dat was het leefritme voor veel Ransbachers tot in de 19e eeuw het toch al niet zo rooskleurige bestaan omsloeg. Grote armoede in de streek leidde tot landsverhuizingen. Huizen, in onderpand gegeven als waarborg voor de opbrengst van het meegenomen aardewerk, werden per opbod verkocht om schulden te kunnen voldoen. Weg vaste woonplaats. Ergens in het midden van de 19e eeuw vestigde mijn voorouder Johann, zoon van Joannes Petri Reichgeld en Anna Corcylius, zich daarom permanent in Nijmegen. Johann verkocht nog Keulse potten, maar zijn kinderen en kindskinderen zochten een ander beroep en werden smid of schilder. De naam veranderde door een spelfout van Reichgeld in Reichgelt en zo begonnen onze nederlandse roots.

johan-peter-reichgeld-geb-5-okt-1848-detail
Veenhuizen September 2016
Daar zat ik. Achter een pc in Veenhuizen, oog in oog met een verre verwant. Zoekend in de database op de naam ‘Reichgeld’ plopte er een treffer op. En die treffer bevatte een signalementskaart en een boevenfoto: en profil en van vooraanzicht zag ik een man die ik onmiddellijk herkende als familie. Snel drukte ik weg. ‘Ik kijk thuis wel!’, riep ik over mijn schouder naar mijn liefste Lief. We hadden net het gevangenismuseum bezocht, waar ik erg van onder de indruk was en hoewel ik ergens wist dat ik sporen van mijn familie zou gaan vinden (daarom wilde ik ook naar deze plek) vond ik het opeens heel ongemakkelijk om daarin bevestigd te worden.
Maar nieuwsgierig was ik ook, dus eenmaal thuis kroop ik opnieuw achter de computer, het internet op, de wonderlijke wereld van de Veenhuizense en Ommerschanse archieven in. En daar was hij: Johan Peter Reichgeld. Opgepakt en opgezonden naar Veenhuizen op 20 augustus 1896. Opgezonden vanwege ‘landlooperij en bedelarij’. Dat hij verwant was had ik al gezien: je kunt Johan zo tussen mijn vader en zijn broers zetten, maar hoe zat dit verhaal nou? Internet bevat inmiddels een schat aan openbare, gedigitaliseerde archieven waar je in kunt zoeken, dus op zoek ging ik. Het levensverhaal van Johan dat zich vervolgens ontrolde was er een van grote armoede, veel rondzwerven en regelmatig het gevang in want landloperij was strafbaar. Uit zijn signalementskaart van Veenhuizen maak ik op dat hij al 8 keer eerder was opgepakt en uit de archieven blijkt dat hij ook na ‘Veenhuizen’ nog regelmatig aan de zwerf was. Op 73 jarige leeftijd is hij overleden. In Middelburg, de stad waar hij in 1848 is geboren. Mijn achterneef in de zoveelste graad, de oudste zoon van Johan Pieter, die weer de broer was van mijn voorvader Johann.
Het ontroert me een gezicht te zien van een familielid van zo lang geleden. Iemand die model staat voor een deel van mijn genenpakket. Wiens beeltenis verloren in de tijd zou zijn gegaan als hij niet in Veenhuizen terecht was gekomen. Ik kijk naar zijn foto en vraag me af wat hij me zou vertellen als we elkaar zouden kunnen spreken. Ik heb hem in ieder geval veel te vertellen. Over hoe ik altijd het gevoel heb gehad nergens echt bij te horen, over hoe ik in het voorjaar de kriebels krijg om alles op zijn kop te zetten en te vertrekken, over hoe ik een broertje dood heb aan autoriteit en er tegelijkertijd ook bang voor ben, over hoe belangrijk ‘mijn plek’ voor mij is. Gemoedsbewegingen die heel diep zitten en die mij in het verleden dingen lieten doen, die ik zelf niet snapte. Maar die ik beter van mezelf ben gaan begrijpen sinds ik weet heb van dit stuk van mijn familiegeschiedenis.
Ik zou hem ook vertellen over hoe ik een huis heb, werk waar ik gelukkig van word en brood op de plank. Dat de familie, ondanks dat er door de generaties heen nog veel zwerverbloed te vinden is, het goed doet en heel uitgebreid is geworden. Dat ik kinderen heb en dat we een goed leven leiden. Zonder angst voor tekort, opgepakt kunnen worden en geen dak boven ons hoofd als het koud en nat word.
Misschien zou hij alleen maar zijn schouders ophalen en zeggen:’Tsja meissie, zo was het toen. Nu is het anders.’ En weer op pad gaan.
Ik stel me voor dat ik hem zie verdwijnen in de verte, de zon op zijn ribfluwelen gestichtsjasje. Met zijn haar netjes gekamd, op dat ene eigenwijze piekje na. Net als het mijne.

 

Geplaatst in Mensen, Thuis | Tags: , , | 12 reacties

The Game is afoot

mad bad and sad coverGisteren was een spannende dag. Nadat ik al langere tijd in mijn hoofd aan het ronddraaien was met een nieuw (groot!) kunst- en printmakingproject en al af en toe had zitten lonken naar een boek dat al jaren in mijn boekenkast stond, ben ik dan toch echt begonnen. In mijn computer zit een map met daarop  in hoofdletters ‘MADNESS & WOMEN’.

Mad, Bad and Sad heet het de engelstalige versie van het lonkende boek. In het nederlands vertaald als Gek, Slecht en Droevig met als ondertitel ‘een geschiedenis van vrouwen in de psychiatrie van 1800 tot heden’

Ik vind het spannend, zo spannend dat ik,  terwijl ik dit stukje aan het schrijven ben, al honderdduizend andere dingen tussendoor heb gedaan. Want straks staat het er: de reden waarom ik dit project wil gaan doen en dan kan ik er niet meer omheen. Dan heb ik het uitgesproken en is het de wereld in om vervuld te gaan worden.  Het idee voor dit project zit al een hele poos in mijn systeem. Want een van die hedendaagse vrouwen met ervaringen in de psychatrie ben ik zelf.

scan0004a

Selfie, 2016

Tijdens Kom Mar Kieke, een groepsexpositie waar ik eind mei aan meedeed stond ik voor mijn Selfie en plopte een duidelijk plaatje in mijn hoofd: een vrouw, in een wit gewaad, geketend aan de muur. En vandaaruit zag ik er meer: verschrikkelijke plaatjes van vrouwen in Bedlam* uitgevoerd in vrolijke kleurtjes (zoals mijn selfie) zodat je in eerste instantie niet zo goed doorhebt waar je naar kijkt.

Sinds dat moment laat het idee me niet meer los. Ik durf er eigenlijk niet aan, maar wil het tegelijkertijd  ook wel. Een raar soort spanning, die zich in mijn lijf heeft genesteld en die zich pas kan oplossen als ik ermee aan de slag ga.

Restraints-in-an-asylum-220x300Ik heb er wel eens vaker aan gedacht: ‘iets doen’ met het onderwerp vrouwen en psychiatrie. Af en toe dook het op, maar het werd nooit concreet. Tot nu. Het is er de tijd voor blijkbaar. Nadat ik gestopt ben met mijn werk in de GGz heb ik een paar jaar niks met het onderwerp psychiatrie van doen willen hebben. Het deed me teveel pijn. Het gevoel van verraad, gepaard gaande met de manier waarop ik mijn laatste baan heb afgesloten was te veelomvattend. Nu is er weer lucht en ruimte en wil ik een verhaal vertellen. Mijn verhaal en misschien wel dat van veel andere vrouwen

Dus ben ik gisteren vertrokken op een reis waarvan ik niet weet hoe lang die zal gaan duren en waar deze me allemaal zal brengen. Via mijn boeken, te beginnen met Mad, Bad and Sad. Langs internet, op zoek naar foto’s die ik kan gaan gebruiken om mijn verhaal te illustreren en vervolgens meanderend en mijmerend langs mijn eigen herinneringen, die ik gaandeweg ook aan het papier zal gaan toevertrouwen. Een kruisbestuiving van historie. De mijne en die van historische vrouwen in de psychiatrie. Waarom? Omdat ik het gevoel heb dat er op die reis iets ontsloten kan worden waar ik nog niet goed bij kan. Waar ik een vermoeden van heb dat het een sleutel geeft tot een gebied in mijzelf waar mijn bron verborgen ligt. De bron van waaruit ik wil scheppen. Van waaruit ik mijn beelden kan en wil laten ontstaan. En als ik dat kan openen voor mijzelf, open ik het gaandeweg misschien ook wel voor andere vrouwen. Ik vind het spannend, want het betekend terugkeren naar een periode in mijn leven die alweer een tijdje achter me ligt maar waarvan sommige elementen nog pijnlijk en rauw aanvoelen. En het zijn juist die pijnlijke elementen die mij linken aan die historische vrouwen, op wiens verhalen onze moderne psychiatrie voor een groot deel is gebaseerd. Die pijnpunten die te maken hebben met overbelasting in zorgtaken, het schizofrene van de splitsing tussen de archetypes de Madonna en de Hoer en de miskenning en soms zelfs ontkenning van de vrouwelijke seksualiteit.  Het zweet staat in mijn handen, maar de eerste stappen zijn gezet. Ik ben op weg!

*Bedlam: een van de oudste psychiatrische inrichtingen in Londen. 

Geplaatst in Mensen, Vrouwen en psychiatrie | Tags: , , , | Een reactie plaatsen